Prik

Zo’n coronavirus is op een bepaalde manier slim. Je hecht je aan een lijf dat langskomt en lift mee op de bergen voedsel die daar doorheen vloeien. Slim op een basaal niveau. Maar succesvol. Dat kan niemand meer ontkennen bij het zien van de scheepsladingen euro’s die we vraag me niet waar vandaan moeten halen om ons mensengedoetje draaiende te houden, terwijl zo’n van niks wetend virus niet veel anders doet dan zijn hongerige tentakeltjes uitslaan.

Mogelijk heb ik de biologie niet helemaal op orde en is mijn wereldbeeld te simpel. Maar één ding weet ik zeker: wat ik per vandaag in mijn schouder heb ontvangen is het mensenantwoord op die virustentakeltjes.

Dat menselijke antwoord begint in mijn geval met inloggen op de fietsrouteplanner van de Fietsersbond zodat ik dankzij de inspanningen van talloze medefietsers langs een route vol wuivend koolzaad arriveer op de priklocatie waar ik iets ingespoten krijg dat mijn verstand ver te boven gaat maar de truc lijkt te doen.

En niet alleen dat. Vanaf het moment dat ik mijn fiets – ja hallo – aan de ketting leg tot het met een zucht van bescherming weer wegrijden, is het een feest van sociale vaardigheden. Meteen bij de ingang al. Keurig begeleid door pijlen, sta ik uiteraard veel te vroeg – dat geeft niet hoor meneer – met beslagen brillenglazen en wapperende gezondheidsverklaringen tegenover wat je noemt een uiterst vriendelijke en geduldige jongeman. Ofwel een schat van een joch. Ik versta hem maar half vanwege het ook aan zijn kant verplichte mondkapje, maar hij overhandigt me een nieuwe stapel papieren en nog geen twee meter verderop staat alweer een volgende collega met een GGD-hesje klaar om mij – je zegt het – vrijwel aan de hand te nemen op het verdere prikpad.

Ze brengt me in een met halve schotten ommuurde ruimte waar een verpleegkundige met de rimpels van mijn leeftijd boven haar gezichtsbedekking me een stoel wijst en samen met mij rustig wacht tot de dienstdoende assistente mijn injectie komt brengen. Duizenden, wellicht tienduizenden mensen over de hele wereld hebben aan de inhoud van dat spuitje gewerkt. Ik ontvang het met minder last dan de landing van een zoemende mug.

Ook daarna staan meerdere GGD-medewerkers klaar om me, nog steeds met beslagen bril maar nu ook met een prik in mijn arm, naar een rustige plek te leiden waar ik vijftien minuten mag afwachten of ik er daarna nog ben.

Dat lukt. Want die microben zijn slim, maar wij ook en wij doen het samen.

Bedenk ik op de fiets terug naar huis.