Huis

Kleindochter Sophie (3) huppelt op flinke snelheid in de lengterichting van de huiskamer. Aan het eind van haar rit, hupt ze over de drempel van de keuken waar ik wat aan het opruimen ben, draait op het keukenzeil om haar as, springt terug de kamer in en huppelt de andere kant weer op. Alles zonder woorden.

‘Ben je zo blij?’, vraag ik wanneer ze voor de tweede keer bij mij de keuken binnenkomt.
Ze kijkt even op, maar is blijkbaar te geconcentreerd bezig om te antwoorden. Pas bij de volgende landing over de keukendrempel vertelt ze wat als verklaring in haar hoofd zat.
‘De kapper is bij ons geweest!’, zegt ze met een klein sprongetje in haar stem.
Ik had al gezien dat haar haren net iets hoger opveren bij het huppelen. En dat het handgebaar om ze uit haar ogen te houden niet meer nodig is.
‘Oh fijn’, zeg ik.
Maar ze is al weg. Huppelend.

‘Is de kapper nu weer naar zijn eigen huis?, vraag ik als ze weer opnieuw langskomt.
Een beetje vragen naar de bekende weg, maar dat heb is misgedacht.
‘Nee!’, antwoordt ze.
‘Oh?’, vraag ik.
‘Die heeft geen eigen huis’, zegt ze met een stem zonder ruimte voor twijfels. ‘Die is de hele tijd maar aan het rondrijden.’
‘Ah!’, zeg ik. ‘Ik snap het.’

Zij heeft zich omgedraaid en is de kamer alweer in. Met grote huppelsprongen, zwaaiend met haar armen – als kleine hulpvleugeltjes – en een beetje hijgend van de inspanning.