Tekenen

Het is buiten koud en nat, dus zetten we binnen de verwarming een graadje hoger en leg ik voor kleindochter Sophie (3) wat tekenspullen op de eettafel.

Sinds kort heeft ze het woord ‘huisdieren’ ontdekt. Als beschrijving, maar ook als nieuwe categorie in haar classificering van het dierenrijk. Want er zijn enge dieren – krokodillen met griezelig scherpe tanden of kauwtjes die iets te fanatiek in het gras van de speeltuin pikken – er zijn lieve dieren – zoals pasgeboren olifantjes of (’mijn lievelings’) rozegekleurde flamingo’s breekbaar balancerend langs de waterkant – én er zijn huisdieren. Zoals de vrijwel helemaal zwarte kat Does die ze net nog tevreden hoorde brommen toen ze met haar oor op zijn buik lag. Voor zijn dubbelrol van beest en pluche knuffel blijkt dus gewoon een naam, die ze telkens met de vreugde van een versverworven levensinzicht herhaalt.

‘Ik ga mijn huísdier tekenen’, weet ze dan ook zodra ik de spullen neerleg en werpt zich over de tafel om een vel papier en een zwarte viltstift naar zich toe te trekken.
‘Wil je me aanschuiven?’
Haar billen raken nauwelijks weer de kinderstoel, of het zwarte vilt van de stift schiet al heen en weer over het witte papier. Niet zoals ik ondertussen op een ander vel moeizaam de omtrek van een kat probeer te maken terwijl ik hem nog moet bedenken. Bij haar ontstaat huisdier Does met sprieterige zwarte haren van binnenuit. Met de viltstift als een werpspeer in haar vuistje geklemd, krast ze vanuit een denkbeeldig kattenmiddelpunt met snelle maar zorgvuldige haaltjes een zacht pluizig wezen tevoorschijn. Tong uit haar mond en een klein hijgje bij elke beweging.

En dan, in zo’n zelfde snelle glijvlucht als waarmee ze van start ging, stapt ze weer uit haar tekenconcentratie, schuift het vel papier van zich af en bekijkt het resultaat.
‘Klaar met tekenen’, zegt ze resoluut.
Maar pakt dan haar werk toch nog even terug, flitst er een tweede, wat kleiner uitgevoerd, zwart katje en wat krassen als entourage-impressies bij en zakt dan achterover in haar stoel.
‘Zo moet het.’

Samen zoeken we in de kast waar-alles-is-maar-je-weet-nooit-waar naar een paar stukjes plakband om haar tekening op de kamerdeur te hangen. Op haar hurken controleert ze of ik het wel netjes recht doe.
‘Goed?’
‘Goed!’, zegt ze.

Van een afstandje bekijkt ze het resultaat van haar werk, knikt en gaat dan op zoek naar de echte versie.

‘Does ziet er blij uit dat ik hem getekend heb’, concludeert ze als ze de kat, uitgestrekt op het kamerkleed, gevonden heeft. Ik hoor hem zachtjes knorren als ze naast hem komt liggen.