Vriend

Het blijft een beetje halen en brengen met kleinzoon Liam (7) en zijn wekelijkse aikidoklas. Vandaag zit bovendien zijn vriend Floris, waar hij de lessen samen mee volgt, snotterend thuis en moet daarom vanwege het coronaregime verstek laten gaan. Dus ligt Liam op zijn buik op de bank, zijn aikodo-kleren in plukjes om hem heen.
‘Ik wiiiiil niet’, klinkt het, gesmoord in het zitkussen.

Maar na een uitvoerig gesprek met zijn moeder, zijn we uiteindelijk toch samen onderweg. Niet om mee te doen, heeft hij bedongen, maar om te kijken en te bedenken of hij het leuk genoeg vindt om door te gaan met de lessen. Ook aan zijn sensei legt hij het keurig zo uit. Met gevolg dat we met zijn tweeën aan de rand van het parkeerterreintje hangen waar de dojo tijdelijk coronaproof is gevestigd. Liam in een oude autoband die daar als terreinafscheiding op de grond ligt. Ik even verderop, geleund tegen een betonnen vensterbank van de buren.

Hij kijkt inderdaad naar de les, af en toe. Ik zie hem zelfs het ‘ichi – ni – san’ meeprevelen dat leraar en leerlingen bij de start scanderen. Maar verder hangt hij voornamelijk achterover in zijn autoband, pulkt wat in de grond tussen de straatstenen, vindt hier en daar een los steentje, en gooit dat met een lusteloos armgebaar een metertje of wat verderop.
‘Zullen we niet gewoon naar huis gaan?’, vraag ik na een half uurtje en een herhaalde weigering wanneer de leraar toch nog even komt vragen of hij echt niet mee wil doen.

Maar dat wil hij niet en hij wil ook niet naar huis. Hij wil kijken. Naast mij, leunend tegen de vensterbank van het buurgebouw.
‘Wat denk je?’, vraag ik. ‘Vind je het leuk genoeg om door te gaan?’
Hij knikt.
‘Maar niet zonder Floris’, weet hij inmiddels zeker.
‘Je kunt toch ook met een van de anderen oefenen?’, opper ik.
Hij schudt zijn hoofd.
‘Wat denk je’, zegt hij terwijl hij recht voor me komt staan om zijn punt te maken. ‘Als er twee kinderen naar aikido gaan die elkaar niet kennen en twee die vrienden zijn. Wie zullen het dan het snelst leren?’
Ik aarzel over mijn antwoord, maar dat maakt hem niet uit.
‘Ik wil alleen maar met Floris’, besluit hij.

We hangen nog een tijdje verder. Meer woorden zijn niet nodig.