Oefenen

Ik loop met kleindochters Sophie (3) en Elin (half zes, zoals ze zelf zegt) in de choreografie van coronamaatregelen om hun school heen om aan het einde van de schooldag bij de uitgang voor de groteren op hun broer Liam (7) te wachten.

We hebben het over hun klassen. De peuterklas van Sophie. Groep nul volgens haar grote zus, maar in haar eigen taalcreativiteit ‘de babyschool’ genoemd omdat er ook baby’s – een tikje minachtend uitgesproken – op zitten. En we hebben het over oefenen voor wat ze allebei te wachten staat.

‘Sophie komt bij mij oefenen voor de kleuters’, legt Elin uit.
‘Ik ben klein, maar ik kan wel praten’, licht zij zelf toe waarom zij wel aan de beurt is en die baby’s daar bij haar nog lang niet.
‘En ik…’, kleurt Elin het plaatje van de grote stappen op komst verder voor me in, ‘ga bij Liam oefenen voor de middenbouw.’

Ze gebaren met hun handjes en knikken. Zo zit het.

‘Maar Liam…’, zegt Elin… ‘moet straks helemaal alleen oefenen voor de bovenbouw…’
Ze kijkt peinzend in de verte.
‘Wij zijn te klein om hem te helpen’, zegt ze dan. Meer voor zichzelf dan voor mij.

Met zijn drietjes stappen we verder om het grote gebouw heen, over een stoep vol schreeuwende kinderen en zigzaggende fietsen. Stil en ernstig.