Opeens

‘Opa Jos! Opa Jos! Kijk eens!’
Ik ben in de keuken de afwas aan het inruimen. Vanuit de woonkamer roept kleindochter Sophie (3) mij met luide stem.

Wanneer ik naar haar toe loop, klimt zij met snelle beentjes op het rode kinderstoeltje dat ze voor deze gelegenheid strak tegen de bergkist annex zitbank in de erker heeft geschoven.
‘Kijk eens wat ik opeens kan!’, zegt ze met wangen die glimmen van de opwinding.
Ze draait zich naar de erker, fixeert het stevige brede deksel van de bergkist met haar blik, zakt een paar keer door haar knietjes om vaart en moed te verzamelen en springt dan – hup – van het stoeltje met twee beentje tegelijk op de kist.
‘Swoeshhhh!’, roept ze ter begeleiding van haar zweefmoment.
Op de kist geland, draait ze zich snel om, kijkt me met ogen groot van enthousiasme aan, zet zich opnieuw af en springt – hup! – vanaf de kist in één keer op de grond.
‘En PAF!’, roept ze erbij.

‘Meid toch…’, zeg ik.
‘Toen ik ging springen, gingen mijn haren zó’, zegt ze – helemaal opgewonden – en tilt ter demonstratie even de uiteinden van de haren die net over haar oren hangen voor me de lucht in.
‘Wat goed!’, zeg ik en loop weer zo’n beetje richting keuken om af te maken waar ik mee bezig was.
Maar dat is absoluut niet de bedoeling.
‘Héééé’!’, roept ze me met luide stem tot de orde. ‘Niet weggaan!’
‘Oké’, zeg ik een tikje bedremmeld en draai me weer naar haar en de opstelling voor haar gymnastische overwinning.
‘Drie keer laten zien!’, zegt ze op een toon die verdere discussie uitsluit.

Ze klimt weer op haar rode stoeltje en draait zich met een strenge blik in de ogen naar mij.
‘Kijk je?’, vraagt ze.
Ik knik. En kijk.