Duim

Het is zo’n dag als een berg gruis. Niet te beklimmen. Tenminste niet voor kleinzoon Liam (7). ’s Morgens bij school hangt hij aan mijn armen en blijft stug herhalen dat hij niet naar binnen wil.
‘Ik hoor je en ik snap wat je bedoelt’, zeg ik, ‘maar helaas… school moet.’
Met als enige resultaat een lang uitgerekt waaroooom.

Eenmaal ’s middags weer thuis, laat hij zich kreunend achterover op de bank vallen bij de gedachte alleen al dat we zo samen naar zijn aikidoles gaan. Na de coronaverboden eindelijk weer van start, maar vanwege diezelfde maatregelen buiten in plaats van, zoals hij dat gewend is, op de matten in de dojo. Waarom kan hij niet precies benoemen, maar één ding weet hij zeker.
‘Ik wil niet…’.
Langgerekt uitgesproken in ruggelingse stand, zijn witte aikidopak in onderdelen moedeloos om zich heen verspreid.

Sport is geen verplichte school, maar er is wel een vriendje dat ons zo komt ophalen om er samen heen te fietsen. Dus maken we een afspraak.
‘Ik zal goed naar je kijken tijdens de les’, beloof ik hem terwijl hij twee benen tegelijk in een pijp van zijn aikidobroek wringt. ‘Als je het naar je zin hebt, doe je je duim omhoog. Als je het niks vindt, duim naar beneden en dan gaan we daar later met je papa en mama over praten.’
‘Noteer jij dan hoeveel keer?’, komt hij meteen ter zake. ‘Dat ik het kan optellen?’
Beloofd.

De aikidoschool is op een bedrijfsterrein vol tamelijk eenvormige stenen gebouwtjes met een parkeerplaats aan de voorkant en een lichtreclame aan de gevel. Het waait er altijd en dus ook vandaag. De zon is achter de stenen opbouw verdwenen en heeft het restje voorjaarswarmte meegenomen. Grijze klinkers en de bumpers van geparkeerde auto’s markeren wat eigenlijk een dojo met zachte witte matten en Japanse tekeningen aan de muur zou moeten zijn. Het lijkt Liam in zijn loshangende aikidopak niet te deren, tot mijn verbazing. Hij kijkt geconcentreerd naar de sensei. Iedereen heeft een lang, uit hout gesneden, samoerai-zwaard met twee handen vast en heft dit in een soort gestileerde dansbeweging boven zijn hoofd. Rechtervoet staat eerst schuin naar achteren en gaat dan met een plotselinge stapbeweging naar voren. Zwaard komt mee en maakt met de kracht van het lichaam erachter een forse klap op dat van de tegenstander. Met een schreeuw erbij.
‘Ichi!’, roept de sensei luid over het parkeerterreintje.
Ik zie Liam elk woord dat de man zegt met zijn mond meedoen. En even later een forse klap uitdelen wanneer hij de meester zelf mag aanvallen. Uitval met de rechtervoet.
‘Ichi!’, schreeuwt hij – een beetje zoekend nog – zijn strijdkreet erbij.
‘Hé!’, tikt de leraar hem bij het teruglopen even op zijn schouder. ‘Goed!’

Ik sta tussen de geparkeerde auto’s en kijk naar hem. Mijn armen omhoog. En? Hij ziet me wel, maar reageert niet. Ik doe een voorzet en steek mijn duim op met een vragende blik erbij. Ik moet heel goed kijken. Maar dan knikt hij, nauwelijks merkbaar. Met een klein lachje erbij.