Maatjes

Onderweg kibbelen ze samen als een getrouwd stel in hun tweede of derde seven year itch.
‘Een bakfiets kan niet drijven’, zegt kleinzoon Liam (7) terwijl we langs het water fietsen.
‘Wél!’, kaatst zijn kleine zusje Sophie (3), naast hem in de bak, terug nog voor hij zijn zin goed en wel heeft afgemaakt. ‘Wel, hè opa?’, roept ze meteen wat extra overtuigingskracht erbij.
‘Nou nee’, antwoord ik tegen de rijwind in.
‘En een vliegtuig kan ook niet drijven’, bouwt Liam zijn grotebroerpositie kalmpjes verder uit.
‘Een eend kan drijven’, kiest Sophie een geheel eigen pad in deze pingpongwedstrijd.
‘Maar een watervliegtuig wel’, gaat Liam onverstoorbaar verder. ‘En een bus.’
‘Nee, Liam!’, gilt Sophie nu. ‘Niet een bus!’
‘Wel, hè opa?’, wordt ik er opnieuw als scheidsrechter bijgehaald. ‘De waterbus.’
‘Ah, ja’, zeg ik.
We zijn er nog eens als ontdekkingsreizigers in de grote wereld mee naar de overkant van de rivier geweest. En meteen weer terug.’
‘Weet je nog?’, vraag ik aan Liam.
‘Dat was nog vóór corona’, knikt hij, met een blik in het verre verleden.
‘Niet een bus!’, houdt Sophie met luide stem haar eigen discussielijntje vast.

Ongetwijfeld vanwege datzelfde corona, in combinatie met het zachte voorjaarsweer, is in de speeltuin waar we al kibbelend arriveren vrijwel elk bankje gevuld met tassen en mensen. Op het trappetje naar de glijbaan, wacht een rijtje kinderen op een peuter die zichzelf halverwege de doorkruipbuis, bolle luierkont omhoog, hermetisch heeft klem geklommen. In de zandbak gooien twee jochies tegen de luid geschreeuwde vermaningen van hun ouders in scheppen vol zand in elkaars gezicht. Een schommel, met een rechtopstaand meisje erop, zoeft op een pinkdikte na langs de vlassige haartjes van een kindje dat gillend vanwege het grote avontuur wegrent bij de moeder, even verderop verdiept in haar telefoon.

Liam bekijkt het tafereel. En wil direct weer naar huis.
‘Ik hou niet van drukte’, zegt hij.
‘Ik wil schommelen!’, roept Sophie dwars door zijn gemompelde bezwaren heen.
Liam loopt, ongetwijfeld met een hoofd vol onuitgesproken weerstanden, met haar mee. Met beentjes die net aan lang genoeg zijn, klimt ze op de laatste vrije schommel. Liam pakt die achter haar rug beet en loopt er ver mee naar achteren. Te ver. Te ruw ook.
‘Néééé Liam!’ gilt Sophie.
In plaats van naar haar te luisteren, loopt hij nog een stukje verder naar achteren en geeft de schommel met zijn kleine zusje erop een harde en ongecontroleerde zet. De schommel slingert. Sophie huilt, valt eraf, krijgt de schommel tegen haar hoofd en huilt nog veel en veel harder.
‘Liam!’, zeg ik boos tegen hem terwijl ik aan kom rennen om haar te troosten. ‘Wat doe je als je zusje gilt dat ze iets niet wil?’
Hij denkt er echt over na.
“Ik wéét het niet’, zegt hij dan met een stem vol wanhoop en nu ook in tranen. ‘Ze wilde schommelen…’
Hij aait haar zachtjes over haar haren en veegt met zijn hand een traan van haar wang.
‘Zal ik sorry zeggen?’, vraagt hij aan haar.
Ze knikt. Snikt nog een keer en stopt dan met huilen.