Schepping

Terwijl ik om een pondje boeren belegen vraag bij het Holland Kaascentrum op de Delftse zaterdagmarkt, komt hij op een oude fiets naast mij staan. Jeroen. Dak- en thuisloos zoals dat heet, al is dat tweede deel op hem nauwelijks van toepassing voor zover ik dat kan beoordelen. Als zelfbenoemd ziener en afgezant van het hoge, is de wereld zijn onderkomen. Meestal wil hij een kleine financiële bijdrage om het bestaan daar vol te houden, dit keer moet hij me dringend iets uit de doeken doen.

‘Alles is uitgebouwd’, laat hij me na het afrekenen weten vanuit de michelinmannetjescapuchon die hij diep over zijn hoofd heeft getrokken. Voorbeeld is het appartementengebouw waar ik woon en waar hij af en toe in de hal beneden in een door het leven glad gewreven slaapzak de nacht doorbrengt. Hij is er zelf bij geweest, beweert hij.
‘De bouw! Dat begon héél stevig van binnen en vandaar steeds lichter steeds lichter steeds lichter…’
Met zijn armen maakt hij zoekende gebaren als een dirigent die zijn hoofd vol muziek probeert te vertalen.
‘Net als orchideeën’, neemt hij flitsend een volgende afslag in de samenhang der dingen. ‘Weet je orchideeën?’
Ik knik maar zo’n beetje terwijl ik in mijn boodschappentas een plekje zoek voor het stukje boeren belegen.
‘Die spikkeltjes?’, vraagt hij nog even voor de zekerheid.
‘Eh, jaaa?’
Weer probeert hij met trippelende bewegingen van zijn armen en handen de boodschap in zijn hoofd voor mij zichtbaar te maken. Wijder en wijder.
‘Het heelal! De sterren!’, zegt hij dan met veel nadruk. ‘Zie je dat niet?’
‘Jawel…’, aarzel ik.

Hij merkt blijkbaar dat hij een stapje moet afdalen om de connectie met mijn wereldbeeld te herstellen. Dus maakt hij het een stukje praktischer.
‘Delft’, zegt hij en wijst om zich heen.
‘Delft’, beaam ik.
‘Ik heb de hele wereld Delft gemaakt!’, zegt hij dan en maakt er een allesomvattend armgebaar bij.
‘Handig’, zeg ik.
‘Ja’, antwoordt hij, tevreden over het terugvinden van gezamenlijke grond. ‘Want nu regeer ik gewoon van hieruit.’
Hij steekt zijn warrige grijze baard ver naar voren uit zijn capuchon en kijkt rond. En hij zag dat het goed was. Zo’n blik.

Ik pin tegenwoordig alles, dus moet even zoeken naar het briefje van vijf dat ik ergens tussen mijn pasjes bewaar. Hij wacht geduldig. En neemt het dan met een onthecht gebaar in ontvangst.