Mam

Ik loop met kleindochter Sophie (3) door het besneeuwde park op weg naar de bus die ons naar huis zal brengen. Naar mijn eígen huis, zoals Sophie graag benadrukt. Haar grote broer en zus hebben we op school afgeleverd. We hebben alle tijd en lopen hand in hand door de krakende sneeuw.

Opeens stopt Sophie met lopen, houdt mij ook even stil, buigt zich zo ver als ze kan achterover en kijkt naar de kruinen van de bomen, beladen met een wit pakket daar helemaal boven in de lucht.
‘Ik ben klein’, zucht ze, terwijl ze weer terugkomt in loopstand.
‘En een beetje groot’, besluit ze dan.
‘Een beetje groot en een beetje klein’, doe ik haar de omschrijving aan de hand die haar zus op diezelfde leeftijd hanteerde.
‘Ja’, zegt ze tevreden, ‘beetje groot, beetje klein.’

Terwijl we verder stappen over het besneeuwde pad, zet ze haar laarzen net iets resoluter neer dan daarvoor.
‘En als ik heel veel eet’, doet ze er nog een schepje bovenop, ‘dan wordt ik héél groot!’
‘Zeker’, zeg ik.
‘En een mam!’, zet ze meteen maar de volgende stap. ‘Eigenlijk!’
‘Eigenlijk?’
Het is even stil terwijl ze op haar kleine beentjes naast me voortstapt.
‘Hahmmmm’, doet ze dan.

Bevestigend en een beetje peinzend tegelijk.