Manieren

‘Wat wil je er op?’
Kleindochter Sophie (3) wiebelt op haar eetstoel. Van de trek, denk ik. Even daarvoor was ze al recht voor me komen staan, bol buikje naar voren waar ze wrijvende bewegingen over maakte.
‘Dat doen kleine mensen als ze honger hebben’, legde ze erbij uit.
Het is nog vroeg op de ochtend, maar vooruit.

‘Speculoos’, zegt ze en wijst de pot waar haar lievelingsbeleg in zit.
Tijdens het smeren beweegt haar hoofd met mijn messtreken mee, alsof ze met haar ogen de snelheid bestuurt.
‘Dubbel en in stukjes’, specificeert ze hoe ze het eindproduct hebben wil.
‘Alsjeblieft’, zeg ik en schuif het bordje naar haar toe.
‘Dank je’, zegt ze, heel keurig. ‘Lekker!’

Ze stuitert nu op haar billen van verlangen en in haar enthousiasme om de boterham zo snel mogelijk van haar bordje naar zich toe te halen, tikt ze met een nauwelijks waarneembaar gebaar haar beker die ik net vol met melk had geschonken over de tafel. Het gebeurt en bijna hetzelfde moment kom ik al in glijvlucht terug uit de keuken, keukenpapier afrollend om het melkmeer ijlend naar de tafelrand in zijn vlucht te stuiten.
‘Bijna gelukt’, zeg ik terwijl ze geïnteresseerd toekijkt hoe ik op mijn knieën de plasjes rond haar stoelpoten opdep.

Terug in de keuken schenk ik een nieuwe beker melk in en breng die naar haar toe.
‘Alsjeblieft meid’, zeg ik wanneer ik hem naast haar bord zet.
‘Dank je’, zegt ze weer in welopgevoede vriendelijkheid.
‘Mooi rechtop laten staan’, wil ik dat met even nette manieren in de positieve modus beantwoorden.
Terwijl ze aan een stukje dubbelgevouwen boterham met speculoos peuzelt, kijkt ze me onderzoekend aan.
‘Niet omgooien?’, vraagt ze ter verduidelijking.
‘Precies’, zeg ik.
‘Dan moet je zeggen “niet omgooien”’, knikt ze me – knabbelend aan haar boterham – met een geduldige-juffrouwenblik in haar ogen toe.
‘Dat zeggen mijn ouders ook altijd.’