Keuze

Kleinzoon Liam (7) heeft zich door een ochtend online les met de juf en oefeningen met de tafel van vier op zijn chromebook geworsteld. Als beloning voor zijn met verve voltrokken overstap van kreunend over het tafelblad hangen naar aan de slag en op zijn stoel, heb ik hem opa’s speltelefoon overhandigd. Een tot geheim oppaswapen omgebouwde oude telefoon vol race- en puzzelspelletjes die hij en zijn zussen er zelf naar believen op mogen zetten. Mits gratis.

En dus komt hij na een tijdje brullende motorgeluiden vanaf de bank, bij mij de keuken binnen met demonstratief voor zich uitgestoken het scherm van de Play Store. Zijn keuze heeft hij aangetikt: New York City Simulator, een spel waarmee hij zo snel en schadevrij mogelijk door de stad moet zien te scheuren, begrijp ik. Kosten 2,99 euro.
‘Wil jij dat betalen?’, vraagt hij.
‘Euhmm…’, aarzel ik. ‘We zouden eigenlijk alleen maar gratis doen…’

Het klinkt wat zwak en hij duwt dus nog even verder om te zien hoe zwak. Het is het beste spel dat er is. Natuurlijk. Hij leert er echt autorijden van. Uiteraard. En een gratis versie heeft hij al gezocht, maar…
‘Je hebt toch een spaarpot?’, probeer ik.
‘Nee,’ zucht hij, ‘alleen een rekening.’
‘Oké. En hoeveel staat daar op?’
‘Niks, ik heb alles opgemaakt.’
‘En hoeveel krijg je er elke week bij?’
Moedeloos laat hij zijn hand met het verlichte scherm vol aanlokkelijke speluitleg langs zijn lichaam zakken.
‘Dat weet ik niet’, zegt hij, ‘heel weinig. Dat duurt jaren voor ik dit kan kopen.’

We lassen allebei even een zijpaadje in op dit traject van onbereikbare verlangens en hij gaat boven bij zijn moeder-aan-het-werk vragen of die dit superspel misschien op háár telefoon wil zetten. We weten allebei eigenlijk het antwoord al. Met hangende schouders komt hij even later de trap weer af.
‘Zal ik het dan maar doen?’, stel ik voor.
‘Als je wilt’, zegt hij met de onthechte toon en vage glimlach van iemand die met de beloning in zicht zijn ambities vast in de vrijloop zet.
Dus tik ik mezelf door alle goedkeuringen en overhandig hem de telefoon met de groene balk die vol verlokking ‘installeren’ aankondigt, waarop hij – na een ruggelingse sprong op de bank – met piepende banden Fifth Avenue opdraait.

Een uurtje later zit mijn opadag erop en pak ik mijn spullen bij elkaar om naar huis te gaan. Telefoontje, bedenk ik, terwijl Liam er al mee aan komt lopen. Nog onderweg naar mij toe drukt hij al op de knop om hem uit te schakelen, zoals hij dat gewend is wanneer hij hem aan mij geeft om in mijn rugzak te stoppen. Ach jee, denk ik.
‘Wil je hem voor deze ene keer een weekje hier houden?’, vraag ik.
Hij denkt maar heel even na. En kiest dan vastbesloten voor zijn eigen wereldbeeld.
‘Nee, doe maar niet’, zegt hij. ‘Die hoort bij jou.’