Samen

Mijn uitzicht zijn twee paar soepel gevouwen knietjes, de voetjes in warme Noorse sokken onder hun billen geklemd. De bovenrand van het plaatje is een wit plafond, halverwege de middag al uitgelicht vanwege het vroeg intredende winterduister in Oslo. De onderrand zijn grijze plukken wol van het vloerkleed met daarop een kist met blokken. Ik sta als beeldscherm op de grond in de huiskamer ver weg in Noorwegen van kleinzonen Jonas (5) en Julian (2). Skype brengt me over de vloer, letterlijk in dit geval. De twee broertjes zijn in uitvoering een minimale variant van elkaar: twee koppies met vrijwel eendere lastig tembare krullen, gebogen over hun blokkenbouwsels. Julian maakt met wat slisgeluidjes als begeleiding een toren in wankele balans. Jonas tuurt als een bevlogen architect naar een kasteelachtig ontwerp, vast ontleend aan de prinsessenwoonplaats uit zijn favoriete spel Super Mario.

Het lukt aardig zo met elkaar, tot vrijwel tegelijk twee handjes in de voorraadkist die tussen hen in staat naar exact hetzelfde blok reiken. Julian is met zijn snelle kleine vingertjes nét een fractie eerder, dus rest Jonas niet veel anders dan zijn fysieke overwicht inzetten om te krijgen waar hij blijkbaar onmogelijk zonder kan. Hij pakt het houten blokje ook vast en geeft er een stevige ruk aan, de naam van zijn broertje met veel Noorse nadruk door de kamer galmend. Die begint als tegenzet direct op vol volume te huilen, verliest in het geduw en getrek om dat ene blokje zijn evenwicht en stort met brokstukken toren en al tegen de parketvloer. Waar hij direct stopt met huilen, overeind krabbelt, met één tijgerbeweging het prinsessenkasteel van zijn broer bereikt en dit met een welgemikte zwaai van zijn arm met de grond gelijk maakt.

Ik probeer vanaf mijn beeldschermpositie tussen de tapijtpolen nog wat sussende geluiden te maken, maar zie Jonas het blok dat hij nog steeds in zijn hand geklemd houdt al in getergde woede omhoog brengen en op het hoofd van zijn broer richten.
‘Dat gaan we niet doen!’, doet de papa van de kinderen wat mij via skype niet lukt.
Met het geduld van een geroutineerd pleitbeslechter zoekt en vindt hij in de voorraadkist een tweede exemplaar van het blok waar de strijd om is ontstaan.
‘Allebei één’, zegt hij.

Jonas trilt met zijn kaken op elkaar nog even na van nauwelijks bedwongen vergeldingsdrang om het aangedane onrecht. Dan schuift hij tot mijn verbazing de sloopresten van zijn zalen en kantelen aan de kant, loopt de kamer in en komt even later terug met zijn doos plusplus. Kleine plastic bouwblokjes, waar zijn broertje wel even naar kijkt maar zich verder niet mee bemoeit.

In plaats daarvan haalt hij alle zomaar in zijn schoot gevallen blokken naar zich toe, bouwt er een uiterst wiebelige toren mee, grijnst even in de skypecamera naar mij en mept zijn bouwwerk dan in één vernietigende slag omver. Van het lachen rolt hij zijn eigen blokken achterna op het kleed.

Daar kruipt half over zijn rug zijn grote broer in beeld. In zijn hand een blauw-met-witte creatie, zelf bedacht en gemaakt van zijn plastic miniblokjes. Hij leunt als een bierdrinker aan de bar op zijn broertje terwijl hij zijn werkje laat zien.
‘Een dolfijn’, legt hij met zijn hoofd zowat in de camera aan mij uit.

‘Jongens toch’, zeg ik vanaf het schermpje op de grond, ‘wat hebben jullie dít knap gedaan samen.’