Kerst

‘Kunnen we eeven belen?’
Kleinzoon Liam (7) zit vanwege de nieuwe corona-sluiting van school aan de eettafel achter zijn chromebook en stuurt me een berichtje in Google Hangouts. Ik ontvang zijn hulpverzoek een paar meter verderop op de bank, waar ik zijn zussen voorlees over een vogeltje dat voor het eerst gaat vliegen. Vooral de passage waarin de moedervogel haar kind met een fraaie boog – hup – het nest uitschopt, kan niet vaak genoeg in de herhaling.
‘Kom je er niet uit?, vraag ik – gewoon live – aan Liam.
Hij zucht bij wijze van antwoord.

‘Eén – klein – meer’, lees ik de opdracht in zijn nieuwe werkschrift met hem mee.
‘Ik snap het niet’, zegt hij, met zijn bovenlijf over de tafel gedrapeerd, handen en ogen op zoek naar mogelijkheden om waar dan ook zijn versgeslepen potlood uit te proberen.
Ik eerlijk gezegd ook niet, maar er is gelukkig een voorbeeld. Honden. En dat wordt dan hond – hondje – hondjes. Paarden is de volgende.
‘Dus één…’, probeer ik.
Hij kijkt me glazig aan.
‘P… p…?’
Paard, schrijft hij in het lege vakje. En precies hetzelfde in het hokje voor ‘klein’. Bij ‘meer’, kijkt hij me weer vragend aan.
‘Paarden?’
Niet zoveel mis mee, lijkt me, maar in de voorbeeldregel ging het anders. Ik wijs het aan in het schrift en verklap dan ook maar meteen dat het verkleinwoord van paard geen paard maar paardje is.
‘Kan jij het niet doen?’, vraagt hij met trage stem wanneer ik zijn verkeerd neergekriebelde uitgangen aan het weggummen ben.

Zijn zussen proberen even verderop met hoge uithalen de pedagogische ingreep van de moedervogel op elkaar uit, wanneer zijn meester en enkele klasgenootjes zich op Liam zijn Hangouts-scherm melden. Hij gaat van blijdschap op zijn stoel staan.
‘Mag ik een vraag stellen?’, hoor ik hem, na aanvankelijk wat gedoe met geluid en beeld, in de groep gooien.
Ik versta door het gegil van een uit haar nest gekukeld vogelkind niet alles, maar begrijp wel dat hij tot in detail de online lesdag van morgen wil afspreken. Hoe laat hij precies in de virtuele klas terecht kan, dat hij het gordijn achter zich dicht zal houden zodat de zon niet zo in de camera schijnt en vooral hoe ze het gaan doen met het kerstontbijt dat nu niet doorgaat.
‘Ik bewaar wel wat van mijn ochtendeten’, hoor ik hem voorstellen.
De meester maakt wat weifelende geluiden, maar zijn vriendjes en vriendinnetjes gaan ervoor. Net als voor kerstkleding achter het scherm.
‘Blijven zitten!’, hoor ik de meester een tikje wanhopig roepen als diverse kinderen op Liams uitnodiging met hun chromebook onder hun arm naar hun slaapkamer stormen om iets feestelijks te zoeken en aan de rest voor te stellen.
‘Geen wifi’, zegt hij tegen mij en wijst met een glimlach vol vergeving op de stilgevallen beelden van zijn klasgenootjes.
‘En jij Liam?’, vraagt de meester in het op hun twee na leeggestroomde online klaslokaal.
‘Ik heb wel wat van Kerst’, zegt hij en knikt, als een organisator met de touwtjes stevig in handen, bemoedigend naar het beeldscherm. ‘Ik zal het morgen aan je laten zien.’