Ziekjes

Kleindochter Elin (5) ligt op de bank. Deken tot aan haar kin opgetrokken, daarboven een bleek gezichtje met donkere kringen rond haar ogen. Ziek. Of liever: ‘ziekjes’, zoals ze het zelf zegt. Dus blijft ze thuis, onder haar dekentje.

Maar niet lang. Zodra ze hoort dat ik met haar kleine zus Sophie (3) de keuken aan het opruimen ben, glijdt ze onder haar deken vandaan.
‘Mag ik helpen?’
‘Maar natuurlijk.’
Na ons werk in de keuken spelen we met zijn drieën memory op het grote kleed in de kamer. Maar zelfs met de plaatjes naar boven vindt Elin het allemaal maar niks. Ze schuift haar stapeltje goed geraden kaartjes opzij en laat zich met een diepe zucht op de bank vallen waar haar dekentje nog troostend ligt uitgespreid. Daar staart ze verdrietig voor zich uit.
‘Ik heb niemand om mee te spelen…’, zegt ze met de woorden uitgestrekt van narigheid.
‘En Sophie?’, vraag ik.
Haar antwoord is een nieuwe zucht.
‘Ik wil zooo graag met Daav spelen… Maar die is naar school…’
‘En als hij straks thuis komt?’
‘Dan kan het nog niet, want ik ben ziekjes.’
‘Volgens mij gaat het best. Zal ik je anders gewoon naar school brengen?’
Haar schoudertjes zakken nog wat verder naar beneden.
‘Dat kan ook al niet. Ik ben afgemeld.’

Daar weet ik zo gauw geen antwoord op, maar dat hoeft ook niet want zij weet iets beters. In één beweging trekt ze haar pyjama uit en zeilt die met een boogje richting bank om – ziekjes of niet ziekjes – in haar blote billen de trap op te klimmen.
‘Ik weet waar mijn kleren zijn’, roept ze me achterna.
Even later komt ze inderdaad aangekleed en wel de kamer weer in, jas over haar arm. Het is guur buiten, zeg ik. Maar dat maakt niet uit. Naar de speeltuin, heeft ze besloten. Een eenhoornknuffel, uitgevoerd in wit, roze en lichtblauw met gouden stippen stopt ze, ‘voor als ik me toch niet lekker voel’, in een schoudertas.
‘Heb je koekjes bij je?’, vraagt ze.
Ik klop op mijn rugzak.

Dan gooit ze de buitendeur open en stapt er direct in stevig tempo vandoor. Bij elke hoek waar we samen moeten oversteken, wacht ze met nauwelijks bedwongen ongeduld op mij en haar kleine zus. Het laatste stukje zonder oversteken, rent ze met haar jas zwierend achter zich aan naar het speeltuintje, haakt haar tas met knuffel aan een hekje en klimt meteen door op een schommel.

Het is er koud en mistig, maar dat deert haar zo te zien absoluut niet. Ze lacht. Luid.
‘Wil je me zo hoog duwen als je kan?’, vraagt ze als ik met Sophie aan kom lopen.