Leiding

‘Heb je nog een vraag over de herfst?’
Kleindochter Elin (5) heeft met ruime vegen uit haar make-updoosje zichzelf – ‘Zijn dit mijn wenkbrauwen?’ – een indrukwekkend uiterlijk bezorgd en is nu helemaal klaar voor een leidende rol in het gezelschap van haar kleine zus en haar opa.
‘Euhm… waarom is het in de herfst zo vroeg donker?’, probeer ik.
‘Dat weet ik niet’, besluit ze direct grootmoedig. ‘Heb je nog een andere vraag?’

Maar eenmaal bij de kleuren van de gevallen blaadjes, heeft ze een veel beter idee dan dit klasje met een opa die nu al geen vragen meer weet en een zusje dat telkens haar verhaal over een báby – vol afkeer uitgesproken – bij haar kinderopvang dwars door de herfstuitleg roept.
‘We gaan naar buiten!’, besluit ze. ‘Kastanjes en eikeltjes zoeken’.
Kordaat gooit ze voor zichzelf en haar zusje een jas en laarzen de kamer in. Aan de kapstok vindt ze een schoudertas met roze prinsessen erop. Die moet ik om. Voor alles wat we mee naar huis willen nemen en voor haar notitieboekje met een viltstift in een lusje en een breed elastiek eromheen.
‘Daar ga ik alles in opschrijven’, legt ze uit.

Met zijn drieën lopen we door de buurt. Sophie (3) met brede zigzagstappen in iets te grote laarzen voor ons uit. Elin bij elke boom roepend dat ze terug moet komen om kastanjes en eikeltjes te zoeken.
‘De eekhoorntjes hebben ze allemaal meegenomen’, leest ze hardop haar notitie voor die ze, na drie bomen met nul resultaat, in de vorm van een hoekig berglandschap in haar boekje krast.
Als alternatieve herfstoogst schept ze handenvol bladeren in de prinsessentas die om mijn schouder hangt.
‘Bladeren…’, mompelt ze terwijl ze wat nieuwe krassen in haar boekje zet.

Ik help mee om mooie te zoeken, ook in de hoop de hoeveelheden wat te temperen, en kondig na een uurtje met de laarzen door de bladerhopen aan dat we richting huis moeten omdat hun grote broer zo arriveert.
‘Schrijf maar in mijn boekje dat we over één minuutje naar huis gaan’, zegt ze. ‘Dan lees ik het zo wel voor.’
Ik schrijf het netjes op en geef haar, als de leider van ons clubje, het notitieboekje terug, opengeslagen bij mijn aantekening. Ze staart even naar mijn gekrabbel over ons vertrek.
‘Is dát schrijven?’, vraagt ze dan, met een afkeurend gebaar richting haar boekje.
‘Uh… ja?’
Ze haalt haar schouders op, als een docent die nu echt een ander vak overweegt.
‘Laat mij het maar doen’, zucht ze dan en zet op haar beurt naast mijn tekst wat hoekige lijnen.
‘Kom Sophie’, roept ze haar kleine zusje, ‘we gaan naar huis.’
Met één handje neemt ze haar zus onder haar hoede, het andere steekt ze naar mij uit.
‘Ga je mee?’