Juf

Kleindochter Sophie (3) begint na vier keer een ochtend bij de kinderopvang aardig te wennen aan de mensen en het stramien van haar ‘school’, zoals ze de crèche in navolging van haar grote broer en zus noemt. Ze huilt alleen nog maar bij het wegbrengen, speelt gezellig met de andere kinderen en na aanvankelijk een totale staking van lichamelijke functies in de uren dat ze daar is, eet en drinkt ze nu met de rest van de groep mee.
‘En ik heb op de school ook een scheetje gelaten,’ meldt ze me tevreden bij het naar huis lopen.

Het gaat steeds beter dus. Maar evengoed heeft ze nog het nodige voor zichzelf te ordenen en dat doet ze bij voorkeur in de vorm van toneelstukjes met haarzelf in de rol van juf én regisseuse.
‘Jij bent nieuw kind’, deelt ze me in die laatste functie mee.
‘Oké.’
Vervolgens zet ze me nauwkeurig in positie – nee, niet op de bank zitten – en krijg ik een gekleurde veer, zo te zien afkomstig uit een afgedankte indianentooi, in mijn hand gedrukt. Met die veer moet ik een ballon in haar richting zien te krijgen. Niet over de grond – oh, kind… – en ook weer niet te hoog door de lucht. De instructies zijn, ongetwijfeld haar beleving, vrijwel onnavolgbaar maar luisteren evengoed bijzonder nauw.
‘Nee kind, niet met je handen aanraken.’
Maar een speels tikje met mijn voet is ook niet goed.
‘Het moet met de veer’, zucht de juf. ‘Ik geef je een andere, kind.’
‘Maar ik heb al een veer?’
‘Hier is een nieuwe, zo moet dat’, besluit de juf op een toon die duidelijk maakt dat inbreng van mijn kant niet langer gewenst is en bovendien het einde van haar geduld met mij in zicht komt.

En zoals dat gaat op een school, gefingeerd of niet, krijg ik een lastig te bedwingen neiging te morrelen aan het gezag dat ik tegenover me vind. Terwijl mijn juf met haar rug naar me toe een nieuwe veer voor mij in haar speelgoedkist zoekt, de teleurstelling over mijn medewerking met haar curriculum zichtbaar in haar gebaren, tik ik stiekem de ballon van het stoeltje waar ze hem heeft neergelegd de lucht in.

Direct draait ze zich om. Héél boos.
‘Néé kind!’, roept ze met twee vuistjes in haar zij en een verzengende blik in haar ogen. ‘Dát hoort níet bij de school!’
‘Sorry, juf’, mompel ik. Kleintjes.