Wonder

‘Ik kan van één tot tien in het Engels!’
Kleindochter Elin (5) huppelt met rondbuitelende verhalen achter me aan op mijn tochtjes tussen eettafel en keuken om de lunchboel op te ruimen.
‘Wat knap’, zeg ik.
‘Onetwothreefourfivesixseveneightnineten’, ratelt ze op hoog tempo terwijl ze twee handen naar me uitstrekt in een gebaar van en… heb ik teveel gezegd?
‘Meid, toch.’
‘En de kleuren kan ik ook’, gaat ze verder.
Ze staat nu recht voor me en reciteert haar repertoire met elk woord op de uitgerekte toon van een geduldige docent.
‘Bloe… wijt… blek… jelloo…’
‘Joh! Waar heb je dat allemaal geleerd?’, vraag ik.
‘Nergens’, zegt ze.
‘Hoor je dat op filmpjes of zo?’
Ze schudt haar hoofd. Zo simpel is het niet.
‘De Magic Bus kijken we altijd in het Nederlands, dus…’
‘Jeetje, en toch weet je het?’
‘Ja’, legt ze uit met twee vertelhanden erbij. ‘Want toen ik nog een baby was, toen werd ik in de nacht wakker en toen ben ik het gaan doen. Engels praten.’

Ze doet meteen even voor hoe dat taalwonder zich voltrok.
‘Bladibla bloe… bladibla onetwothree…’
En kijkt me met stralende ogen aan.
‘Ik kon het gewoon!’