Verward

Het groepje verwarde mannen dat rondscharrelt bij het station, waar ik tegenover woon, wisselt nog wel eens van samenstelling. Onze Jeroen, die zichzelf net zo makkelijk Jezus als Mohammed noemt omdat het volgens hem vandaag de dag toch allemaal op hetzelfde neerkomt, zie ik nog maar af en toe als hij in een lange mantel en met een Gandalf-puntmuts op langs de tramhaltes schrijdt en mensen om een bijdrage voor zijn bekeringswerk vraagt. De man die permanent zijn hoofd schudde terwijl hij prullenbakken en stoeptegels inspecteerde op weggeworpen maar daarom niet minder bruikbare etensresten en peuken, is helemaal verdwenen. Zijn plaats is ingenomen door een nog jonge jongen die met zijn handen diep in zijn broekzakken gepropt uur na uur stevig op en neer stapt, hoofd naar beneden en pas op het laatste moment uitwijkend voor de paal van een abri of de voeten van een wachtende trampassagier. De boze man die in elk weggeworpen bierblikje of patatbakje de verwording van de mensheid zag en luidkeels aan de orde stelde, spuugt blijkbaar ergens anders zijn woede om zich heen. Voor hem hebben we nu de meeuwenvoerder die, ondanks vele verzoeken om te minderen, de stoep met Bijbelse zaaiersgebaren vol smijt met hompen brood, krijsend in ontvangst genomen door vogels die de overvloed zien maar blijkbaar voor geen cent vertrouwen.

Maar de grootste verrassing is onze Reiziger. Jarenlang zagen we hem, op en af, zeulend met minimaal twee bovenmaatse en aan zijn geworstel te zien loodzware koffers. Regelmatig andere, maar altijd met weerbarstige of domweg afwezige wieltjes waarmee hij, onder spastische schokbewegingen van zijn hoofd, de blokkades van stoepranden en tramrails te lijf ging. Maanden was hij afwezig, tot ik vandaag enkele keren opnieuw moest kijken om hem te herkennen. Postuur en motoriek leken zo bekend, maar in plaats van gekromd geworstel liep er iemand redelijk rechtop langs de trambaan met achter zich een flinke maar nog prima te accepteren koffer, vrolijk ratelend op vier soepel draaiende wieltjes.

Ik weet waar ik op moet letten en dus valt het mij op hoe hij zich met een ruime U-bocht van zijn rolkoffer uit de voeten maakt zodra er daadwerkelijk een tram arriveert. Om even later als een tikje gehaaste reiziger met voortvarende gebaren zijn rentree op het perron te maken. Maar dat is het dan ook. Hij gaat nog steeds nergens heen, maar het is een detail geworden om je schouders over op te halen. Zijn hoofd is in rust. De groeven in zijn gezicht lijken minder diep gekerfd. Zijn haren, vroeger net zo weerbarstig als de wieltjes onder zijn koffers, zijn uit zijn ogen weg en in model geknipt. Maar de grootste metamorfose, wellicht met dank aan de helpende hand van pillen en gesprekken, is wel zijn blik. Hij kijkt om zich heen. En soms zelfs de mensen in zijn omgeving even in de ogen.