Wondje

Met kleindochter Sophie (3) lees ik een boekje van Dick Bruna over een appel. Sophie kent het en bladert in een rechte lijn naar de kern van het verhaal: het plaatje waarop de appel huilt omdat hij wel een steeltje met een blaadje, maar geen pootjes heeft.
‘Oooch’, zucht Sophie naast me op de bank en wijst op de gestileerde traan die uit één van de appelogen rolt.
Gelukkig is er een torenhaan die de appel in vogelvlucht de wereld laat zien. Een huis, een boom en in een wat vreemde plotwending een kleedje blauw-geel-groen. Met daarop een mes, waar je altijd heel voorzichtig mee moet doen.

Daar weet Sophie alles van, want ze had ook wel eens een snee. In haar vinger, wijst ze.
‘Met bloed?’, vraag ik.
Ze schudt van nee.
‘Met een wondje’, zegt ze op gezellige conversatietoon.

Ik laat mijn duim zien, die een paar dagen eerder bij het prutsen aan een ventilatieventiel een hapje vel verloren heeft. Direct pakt Sophie mijn hand en trekt die naar zich toe.
‘Heb je gesneden?’, vraagt ze met zorg in haar stem.
Ik vertel dat een stuk plastic afbrak en in mijn duim kraste.

Terwijl ze naar mijn verslag luistert, kijkt ze strak naar het wondje op mijn duim, mijn hand nog steeds in haar handje. Met de wijsvinger van haar andere hand, komt ze voorzichtig naar het rode plekje en strijkt er heel zachtjes overheen. Dan pakt ze mijn beschadigde duim met twee handjes beet en drukt hem troostend tegen haar wang.
‘Heb je pijn?’, vraagt ze.
‘Nee hoor, niet meer’, stel ik haar gerust.
‘En die van jou?’, vraag ik.
‘Papa moest een pleister halen’, zegt ze. ‘Maar dat ging hij niet doen.’
Ze is er alsnog beledigd én verdrietig over.
‘Dat mag toch niet!’, zegt ze vol treurigheid in haar stem. ‘Van páp.’
‘Nee, ja. Ik denk het niet nee.’
‘Dan moet ik erg huilen…’, zegt ze.

Ze kijkt zonder woorden nu in de verte, terug naar toen. En maakt wat snikgeluiden.