Quarantaine

Corona heeft toegeslagen en de kleinkinderen zitten voorlopig met hun papa en mama opgesloten in huis en tuin. Voor Liam (7) betekent dat overdag zonder zijn juf en klasgenootjes schoolwerk maken. Om hem daar een beetje bij te helpen, hebben we samen een afspraakje op Google Hangouts.
‘Ik heb maar iets van taal meegenomen’, zegt hij. ‘Want ik dacht: jij kan goed met letters omgaan.’
Hijzelf heeft dat, weet ik van zijn moeder, een stuk minder. Extra lief dus, vind ik en zeg ik ook.
In zijn werkschrift, wiebelend voor mijn beeldscherm, laat hij de eerste opgave zien. Een tekening van een groentewinkel met iemand achter de toonbank en twee klanten. Wat hoort bij elkaar, leest Liam de vraag voor. Opties: winkel – groenten – zingen.
‘Winkel en zingen?’, probeert hij.

Het werkschrift heeft hij ondertussen alweer op zijn bureautje gelegd. Hijzelf staat op zijn stoel, in zijn onderbroek. Hij heeft het kennelijk warm. De werkstoel is een schommelstoel, dus zie ik op mijn beeldscherm zijn spichtige bovenlijf met flinke snelheden op me af komen en weer naar achteren verdwijnen.
‘Waarom denk je?’, vraag ik.
‘Ze hebben allebei een i’, zegt hij, nu met zijn hoofd naar beneden op me af schommelend zodat mijn scherm even alleen maar zijn halflange blonde haar toont.
‘Ah, ja. Dat kan natuurlijk ook’, zeg ik. ‘Maar groenten en winkel?’
‘Nee, dat is het niet’, besluit hij zonder verdere aarzeling en zet met zijn potlood een streep onder de wat hem betreft juiste woordcombinatie.
‘Kijk’, zegt hij tegen mij, helemaal betrokken opeens. ‘Dit is een heel handig potlood.’
Hij heeft het me al eens vaker getoond, maar doet het nog een keer. Punt om te schrijven aan de ene kant, gummetje aan de andere.
‘Handig hè?’
‘Zeker. Wat is je volgende vraag?’

Na de potlooddemonstratie, zittend, is hij toch maar weer op zijn stoel gaan staan. Benen wijd uit elkaar, wat de schommelbeweging beslist een handje helpt.
‘Oh, daar heb ik een wekker voor nodig.’
‘Hoezo?’
‘Lees zoveel mogelijk woorden uit deze rij en zet een streep als de wekker na 30 seconden afgaat’, legt hij me uit wat de opgave is. ‘Maar ik heb geen wekker.’
‘Dan doe ik wel een wekker na’, bied ik aan.
‘Neeee’, zegt hij terwijl hij zich met een plof in zijn stoel neer laat komen. ‘Een wekker piept.’
‘Dan piep ik wel. Ga jij maar lezen.’
Hij probeert een woordje, maar houdt dan direct weer op.
‘Nee’, zegt hij. ‘Het moet hierop.’
Tijdens zijn uitleg, glijdt hij van zijn stoel af en pakt zijn tablet van zijn bureau.
‘En nu?’, vraag ik.
‘Ik vraag het wel even aan mama.’

Die weet inderdaad een stopwatch op zijn tablet te toveren die hij zelf aan kan zetten. De eerste keer blijkt die op dertig minuten in plaats van seconden te staan, maar uiteindelijk tikt en piept de klok en leest Liam. Daarna moet hij nog wat zinnetjes in de microfoon van zijn tablet lezen, die dan zonder mijn tussenkomst reageert met applaus en een blikkerig ‘goed gedaan!’.
‘Was het vloeiend?’, vraagt hij aan mij.
‘Wat bedoel je?’
‘Het lezen,’
Zijn toon is hier en daar nog een beetje vlakjes, maar verder is het vlot en foutloos.
‘Best wel’, zeg ik.
‘Ik moet mezelf een cijfer geven’, peinst hij.
‘Wat denk je?’, vraag ik.
‘Een vijf’, besluit hij en begint het, opnieuw staand op zijn stoel, met zijn handige potlood te noteren in zijn werkschrift.
‘Ik vind een acht hoor’, zeg ik. ‘Je deed het prima.’
Meteen draait hij zijn potlood om, gumt de vijf uit en zet er een acht voor in de plaats. De trots flakkert als een glimlachje om zijn mond.
‘Klaar!’, besluit hij dan, sneller dan ik aan zag komen.
‘Okeee’, zeg ik. ‘Wat denk je? Morgen weer?’
‘Ja!’, zegt hij met een voor mij onverwacht enthousiasme. ‘Het ging best wel prima. Les 6 is af.’
Tevreden laat hij zich in zijn stoel zakken, vouwt hij zijn schrift dicht en zet zijn tablet uit.
‘En een beetje vooruitwerken is ook altijd goed’, zegt hij met een tevreden knikje naar de hulp op afstand.