Kinderlokkers

Ik zal een jaar of zes geweest zijn en mijn grote broer dus anderhalf jaar ouder, zo’n beetje het vaste interval waarmee bij ons nieuwe baby’s aan het gezin werden toegevoegd. Er zat dus ook alweer een serietje onder ons, wat de tranen van mijn broer verklaart want hij was niet zo van het huilen. Maar die ene keer wel. Mijn vader en moeder moesten ’s avonds dringend even weg en gaven mijn broertje de taak, in een tijd dat zoiets blijkbaar kon zonder vraagtekens over verantwoord ouderschap, om op al het grut onder hem te passen tot ze terug waren. Geen idee hoe lang dat duurde, maar voor hem duidelijk te lang want eenmaal weer verlost van zijn verantwoordelijkheden barstte hij in een niet te stuiten tranenstroom los. Reden, na lang doorvragen van mijn ouders maar ook van de groep toenemend verontruste broertjes: ‘Ik weet niet hoe ik bruine bonen moet koken!’

Het was de tijd van de Koude Oorlog. Een dreiging waar, ook met ons erbij, veel over werd gesproken. In de kelder onder ons huis, te bereiken via een kale betonnen trap waar ook de buren gebruik van maakten, waren de noodvoorzieningen uitgestald die toen van overheidswege werden verstrekt. Een kaars, dacht ik. Een wit kistje met een rood kruis erop waar pleisters en verband in zaten. Een transistorradio op batterijen die we eigenlijk wel op onze kinderkamer wilden hebben. Een doosje jodiumpillen voor als de kernbom bij ons in de tuin zou vallen. En blikken met bruine bonen. Veel blikken met bruine bonen.

Een indringend rondgefluisterd gevaar zonder kinderluikje om het te bekijken. De Russen. Ik wist niet eens zeker of dat mensen waren. Net als kinderlokkers. Levensgevaarlijk klaarblijkelijk met hun gladde praatjes over konijntjes die je kon komen aaien of zakken snoep voor jou helemaal alleen, maar nog niet het begin van een vermoeden hoe je zo’n griezel zou moeten herkennen. Met gevolg dat voor mij, wanneer ik ’s morgens vroeg in het winterdonker als misdienaar de straat op moest voor de ochtendmis van zeven uur, ieder geritsel in een heg of geknipper van een buitenlamp voldoende was om het zonder twijfel te weten: daar zit er een. En dan met zeker weten het geluid van een tweede paar voeten achter me aan, hard rennen tot de smaak van bloed mijn mond vulde. Wat moet je anders.

Ik moest eraan denken bij het verslagje van kleinzoon Liam (7), met zijn ouders en twee kleine zusjes op een bruiloftsfeest waar heel attent gezorgd was voor kinderspelletjes met een aardige mevrouw erbij. Leuk natuurlijk. Maar hij draaide de oppasmevrouw na haar ongetwijfeld vriendelijke uiteenzetting van wat ze allemaal aan verleidelijks te bieden had direct de rug toe en liep met grote passen terug naar zijn moeder. ‘Als ik mijn zusjes haal, krijgen we allemaal snoep. Ik vertrouw het niet. Loop je even mee?’

Dat wij dat vroeger niet hebben bedacht.