Ogen (3)

Een wachtkamercarrière in het medische onderzoekslabyrint. Ik ken het van mijn vader. Niet dat hij nou zoveel mankeerde, maar als er iets was, hoe futiel ook, dan kon van rust laat staan berusting geen sprake zijn totdat er een spijkerharde diagnose lag, meestal door hemzelf aangevuld met een inktzwarte prognose. Vooral de laatste jaren van zijn leven waren zo een rondgang langs specialisten die ‘het ook niet wisten’ en uiteindelijk ingrepen voorstelden die uiteraard ‘volkomen onzin’ waren met ‘dan ga ik maar dood’ als enig mogelijke eindresultaat. Waar hij uiteindelijk natuurlijk zijn grote gelijk behaalde.

Mijn opa deed dat anders. Dokters geloofde hij niet aan. Allemaal oplichters, was zijn korte commentaar wanneer de beroepsgroep tijdens ons vaste zondagmorgen-na-de-kerk-bezoek ter sprake kwam. Als hij al eens iets mankeerde, ontkende hij dat eerst glashard (‘zeuren is voor fatjes’), wat meestal voldoende therapeutische werking had om de kwaal inderdaad achter zich te laten. Lukte dat niet, dan pakte hij ‘Bilz – De nieuwe natuurgeneeswijze’, een kloek, geïllustreerd werk waar alle denkbare kwalen, van masturbatie tot maagbloeding, met wisselbaden en kruidencompressen de wereld uit werden gewuifd. Tot – zomaar vanuit het niets – dat telefoontje kwam met ‘opa is niet goed’ en ik aan een ziekenhuisbed afscheid van hem moest nemen.

Ik dacht altijd een soort wijze middenweg tussen die twee rolmodellen te belopen. Dus grijp ik wel naar een stripje paracetamol als ik hoofdpijn heb, maar laat ik verzoeken om een lepeltje wc-inhoud per kerende post naar een onderzoeksinstituut te retourneren onbeantwoord en beschouw ik dingen als bloedruk, cholesterol, bloedsuikers en PSA-waarden als zaken die beter in het verborgene kunnen blijven.

Maar nu met mijn ogen ben ik dat paadje toch een beetje kwijtgeraakt, lijkt het. Vrij plotseling de wereld naar soft focus zien verschuiven, heeft me kennelijk zo verontrust dat ik mijn gebruikelijke aanpak van eerst maar eens even afwachten heb ingeruild voor de vraag zoals mijn vader die in spervuur op de medische stand afvuurde: wat is er met mij aan de hand? En dan krijg je antwoorden die zelden vrijblijvend zijn. Alsnog niks doen is dan opeens je kop in het zand steken waar je uiteindelijk met een rood-witte stok uitgejaagd zal worden. Tekenen voor een therapie betekent nooit meer weten of het zonder ingrepen en een alsmaar uitdijend patiëntendossier niet ook nog jaren en jaren goed had kunnen gaan.

Je vraagt een antwoord, maar krijgt een puzzel met een stukje kwijt.

Mijn vader en opa moesten het daar ook mee doen.