Hema

Kleindochter Elin (5) is er helemaal klaar voor. We gaan er in de vakantie een dagje samen op uit en dus heeft ze haar mooiste en meest zwierige bloemetjesjurk aan, schuin over een schouder een bolvormig tasje met veel glitters en zachte pluche, in het tasje twee stevig in elkaar gedraaide knuffels met grote verwonderde glansogen en op haar neus een breedgerande zonnebril, roze met bloemetjes. Wanneer ik binnenkom, spuit ze een ruime hoeveelheid ‘lekker luchtje’ met een routineus gebaar op haar polsen en achter haar oren en kijkt me met grote vraagogen aan.
‘Prachtig’, zeg ik.

We gaan eerst samen ontbijten in een echt restaurant en dan naar een museum met een soort meespeelvoorstelling van oude schoonmaaktechnieken. Haar kledingkeuze past beter bij het eerste dan het tweede programmadeel, maar beide vindt ze helemaal prachtig. Zo vaak als ze wil heen en weer lopen om het hagelslagbakje opnieuw te vullen bij het ontbijtbuffet wint denk ik de populariteitsprijs, maar met een vernuftige pomp water tegen de hoge museumramen spuiten valt ook bijzonder in de smaak. Het museum zelf is een verstild beeld van een familie in welstand van ruim honderd jaar terug. We proberen het, maar een enkele blik in de duistere vertrekken waar manshoge poppen het leven van toen als dodemansact opvoeren, is voor Elin ruim voldoende om met snelle stappen – ‘we gaan, opa’ – tegen alle coronapijlen in het gebouw te ontvluchten.

En dan?
‘Naar de Hema!’, zegt ze zonder ook maar een moment te aarzelen en met twee handjes voor zich uit om haar keuze te onderstrepen.
‘Okééé’, aarzel ik.
‘Ik weet de weg!’, besluit ze voor ons allebei en klimt alvast in de bakfiets.

Vanuit de bak voor me, leidt ze ons inderdaad feilloos door de stegen en straten van de binnenstad om recht voor de roodwitte winkelpui en strak naast de ijskraam waarvan ze ook weet dat die er altijd staat mij mijn parkeerplaats te wijzen. Huppelend loopt ze voor me uit de winkel binnen.
‘Ik weet waar alles is!’, roept ze over haar schouder. In het brede gangpad zwiert haar bloemetjesjurk op de zachte hand van de Hema-ventilatoren.

En het klopt, ze weet alles. Leuke spulletjes, wijst ze bij de afdeling feestartikelen. Beetje veel kleren, maar ja, bij alle ondergoed, pyjama’s en T-shirts. En dit is iets kleins dat kunnen we wel kopen, bij een doosje met houten keukenspullen dat ze bij de speelgoedafdeling in het mandje duwt dat ik verplicht mee moet dragen.
‘En nu gaan we eten’, besluit ze na deze rondleiding door haar zelf verkozen paradijsje.

Ook hier hoef ik haar maar te volgen. Met de lift naar boven. Dit knopje, opa. Bij de zelfbedieningsbalie. Dan neem je zo’n blad en dan schuif je het zo en zo en zo. Bij de kassa waar ze de mevrouw keurig uitlegt dat zij én haar zusje én haar broertje doppen van flesjes sparen. Dus mag ze die van haar mee hebben? Dat mag. Tot en met het afruimen, wat vanwege corona dan weer eigenlijk niet mag maar we toch doen, want dat moet altijd bij de Hema opa.

‘En nu moet ik plassen’, besluit ze dan en geeft me terwijl ik aan het rondspeuren ben naar waar dat kan een hand en brengt me in een hoek die anders nog lang verborgen had kunnen blijven naar een vriendelijke mevrouw achter een tafel met een bordje ‘toiletbezoek € 0,50’.
‘De WC’s’, wijst ze me trots.

De twee begroeten elkaar als oude bekenden.