Vrienden

‘Ik kom hier elke dag. Sinds mijn opa dood is. Toen was ik vier en nu ben ik acht.’
Kleinzoon Liam (7) logeert bij opa en oma en we zijn samen naar de speeltuin bij ons in de buurt. Waar hij, bijna achteloos lijkt het, een gesprek begint met een andere jongen van ongeveer zijn leeftijd. De relatie tussen de dood van diens opa en zijn dagelijkse bezoek aan de speeltuin, maakt mij nieuwsgierig. Maar dat geldt niet voor Liam.
‘Ik ben zeven’, schakelt hij net zo makkelijk naar het volgende interessegebied.
‘Zullen we kijken wie het langste is?’, stelt het jongetje voor.

Op zijn instructies gaan de twee recht tegenover me staan. Ze zetten hun hakken, billen en kruinen tegen elkaar. Ik moet meten.
‘Precies even groot’, maak ik er met een béétje smokkelen van.
Makkelijker voor de omgang, dacht ik, maar mijn oordeel wordt zonder verder commentaar in ontvangst genomen. Er zijn alweer andere onderwerpen.
‘Ik woon hier om de hoek’, vult het jongetje de schets van zijn leven verder in.
‘Ik in Dordrecht’, zegt Liam. ‘Daarvoor moet je met de trein.’
‘Ik heb familie tegen de Duitse grens aan’, doet de ander ook een duit in het afstandenzakje. Om meteen naar het volgende wat hem bezighoudt te springen.
‘Wil je raden wat mijn pokemonknuffel heeft gekost?’
Daar ziet Liam het nut niet erg van in en doet het daarom, ook na diverse keren ‘raad nou maar gewoon’, niet. Dus onthult het jongetje de waarde van het felgele konijn dat ze inmiddels naar elkaar overgooien zelf maar.
‘Twintig euro! En ik heb wel twee miljoen pokemonkaarten.’
‘Ik nul’, haalt Liam zijn schouders op. ‘En meer hoef ik er ook niet te hebben.’

Het belet ze niet om samen via een wiebelend laddertje een veel te klein houten hutje in te klauteren en vlak na elkaar over een glijbaantje niet veel langer dan zijzelf weer naar beneden te komen.
‘Ik bof maar met mijn leven’, hoor ik het jongetje ongeveer op dezelfde toon zeggen waarop hij eerder uitlegde dat hij school haatte. En geeft meteen de reden voor zijn geluk: ‘Ik heb een Nintendo Switch en acht grotemensentanden.’
Ik weet dat Liam sinds kort ook zo’n zelfde spelcomputer heeft en al wat blijvend gebit, maar hij vindt het blijkbaar niet zo boeiend om verworvenheden op stapeltjes tegenover elkaar te leggen.
‘Mijn vader is meester’, vertelt hij in plaats daarvan terwijl hij het knuffelbeest van de jongen opvangt en terug naar boven in het huisje mikt. ‘En jouw vader?’
Dat maakt de jongen even stil.
‘Ik weet het niet’, zegt hij dan. ‘Het is in een gebouw met een geel bord bij de deur. Maar ik weet het niet. Zullen we op de fietsdraaimolen?’

Liam komt naar mij toe.
‘Ik ga even met hem mee’, zegt hij.
‘Prima, jongen’, zeg ik.
‘Ik kom er aan!’, roept hij richting zijn nieuwe vriend.