Kijken

Ik fiets graag langs de Delftse Schie. Vanwege het water en de bootjes, maar ook vanwege de prettige afwisseling van deze industriële stadsrafelrand. Bouwmarkten, roestige reuzentrechters voor zandoverslag, een zelfverklaarde leukste kringloopwinkel, een klimhal in vergane industrieglorie, een vereenzaamde schoorsteen ooit met liefde opgemetseld tot bijna in de hemel.

En een luchtbrug voor containers vol huisvuil dwars over het fietspad. Dat kan natuurlijk niet. Maar het kan wel, want wanneer de stalen bakken door de lucht zweven, van de vuilopslag op de wal naar het binnenvaartschip aan de kade, gaat het fietspad gewoon tijdelijk dicht. Twee slagbomen nemen een hap uit de fietsroute, met zo’n hek eraan om te wiegen tijdens het wachten als je je voeten tussen de spijlen zet en de rood-witte balk goed vasthoudt. Vroeger. Bordje erbij met een container aan een kabel en een hoekige pijl die de omrijroute, in een grote boog om het vuilniscomplex, aangeeft. Iedereen blij.

Niet dus, want veel fietsers begrijpen deze creatieve vorm van belangenbehartiging niet. Vooral Duitse toeristen die ’s morgens groepsgewijs van hun Rad und Schiff worden geduwd, met een appel in hun fietstas, een doorzichtige poncho om hun schouders en een tikje te grote helm op hun hoofd. Ik denk dat een containeroverslag combineren met een toeristisch fietspad voor hen volledig buiten elk begaanbaar denkkader valt, zodat soms een hele file fietstoeristen hun lunch en Delftsblauw gedenktegeltje ernstig in gevaar brengt door uren voor de gesloten slagboom te blijven staan. Want zo lang kan het duren.

Ik ken de situatie, dus neem nogal eens zo’n sliert gestrande recreanten als de rattenvanger van Hamelen mee de omrijroute langs en check als de slagbomen dicht zijn altijd even of er iemand in de fuik is vastgelopen.

Zoals vandaag. Een man op een scootmobiel. Alleen.

De slagboom is gesloten, een container met vuilnis zoeft aan zingende kabels van het complex van vuilinzamelaar Avalex hoog over onze versperde rijroute naar een binnenvaartschip aan de kade, de boeg fier boven het water geheven. Spes salutis. De man met de scootmobiel heeft de neus van zijn karretje strak tegen het zacht wiegende hek geparkeerd. Met zijn ellenbogen steunt hij op het stuur. Om te ontspannen of om aandachtig naar voren te buigen.
‘U kunt ook omrijden’, zeg ik als ik naast hem ben gestopt en wijs op het bord met de in hoeken geknakte pijl. ‘Dit gaat voorlopig niet open.’
Ik ben gewend dat mensen me na die mededeling aankijken in een mengeling van verbijstering en weinig productieve maar daarom niet minder om zich heen grijpende woede. Deze meneer niet. Hij kijkt sowieso niet maar mij, maar blijft de luchtreis daarboven nauwlettend volgen alsof de goede afloop afhankelijk is van zijn geen moment verslappende aandacht. Dan wijst hij op het stalen gevaarte dat aan het eind van zijn kabelrit precies boven een lege laadplak op het schip hangt. Uitleg onnodig, lijkt het gebaar, maar hij geeft hem toch.
‘Ik kijk liever’, zegt hij.

Ik doe even met hem mee.