Bankje

Ik zag het al een beetje aankomen. Al die verhalen over mondkapjes in het vliegtuig, naar rood verschietende alarmkleuren van vakantiebestemmingen en de voordelen van een ‘staycation’ in eigen land. Het wordt druk op de fietspaden. Zodra het weer wat aangenamer wordt wel vaker een probleem op mijn vaste fietsrondjes door de omgeving. Vooral vanwege het type medeweggebruikers dat samen met de zon onder hun stenen vandaan kruipt. De als een kudde bizons aanstormende wielrengroepjes hebben natuurlijk al een ongunstige roep. Maar wat mij betreft mogen de olifantenpaartjes batterijbejaarden ook wel op dat lijstje bijgeschreven. Mensen die zich al lang achter de sansevieria’s zouden moeten verschuilen, zwermen nu dankzij de elektrische ondersteuning in een ongecontroleerde dynamiek en voorzien van fietstassen van Atlantikwall-allure over mijn routes. Breeduit, want de minister-president heeft gezegd dat we afstand moeten houden. Wanneer ik netjes bel dat ik er langs wil, volgt meestal eerst geen enkele reactie. Doof. Nog een keer hard bellen. Op dat moment nog niet wat je wil, gewoon even rechts gaan rijden, maar volstrekt zinloos rondkijken en -zwalken van Hè? Wat? Waar? Of, ook heel typerend, de overval door verlammende keuzestress. Waar? Midden op een kruispunt natuurlijk, want daar is het links, rechts of rechtdoor. Een kwestie die met moeder de vrouw daar ter plekke eens uitvoerig op de digitale kaart beklopt moet worden, met verbaasde blikken naar die andere fietsers die er weer zo nodig langs moeten. Maar goed. Ik had me er al zo’n beetje op voorbereid en haal minimaal vier keer diep adem als ik zo’n blokkade voor me op het fietspad zie opdoemen.

Een ander probleem is eigenlijk lastiger, want niet met wat bellen of goed doorzuchten op te lossen. Met pakjes brood, geblokte kleedjes en thermoskannen uitgeruste wegbestormers die de euvele moed hebben op míjn bankje neer te strijken. Ik heb een stuk of wat vaste fietsroutes en allemaal hebben ze ergens op een strategisch punt een rustplek. Het bankje bij de watertoren van Scheveningen bijvoorbeeld. Zo’n zelfde plek aan de Nieuwe Waterweg bij Maassluis, om het hoekje onderaan de dijk. Eentje verscholen tussen wat bosjes langs het spoor dat door landgoed De Horsten loopt. Ik beschouw dat als voor mij aangelegde plekken, een visie die met voeten wordt getreden door de invasieve soort die zich nu op mijn routes bevindt.

Van de week liep het anders. Ik zoefde mooi met de haarspeld waar mijn fiets zo lekker in kan liggen de Maasdijk af, het moment dat het brede water van de rivier opeens als een lint van rust en ruimte voor je ligt, en speurde al vanuit mijn linker ooghoek naar de situatie op mijn bankje. Half onder een boom, dus zon én schaduw om uit te kiezen. Prullenbakje ernaast voor de schillen van het appeltje dat ik daar altijd schil. Ruim zicht op de containerschepen van Maersk of een tot de rand afgevulde tanker van Sea Tiger. Er zit niemand! Ik zet mijn fiets neer en pak tevreden mijn appeltje en mijn zakmes uit het Ortliebtasje op de bagagedrager.

Maar dan stopt er een wat oudere man. Hij zet zijn fiets vlak naast mijn bankje op de standaard. Type stadsfiets met betere tijden achter de rug. Uit een versleten en half openhangende fietstas die met twee metalen beugels om zijn bagagedrager is bevestigd, haalt hij een thermoskan en een pakje brood. Het geblokte kleedje ontbreekt er nog maar aan.
‘Kan ik hier zitten?’, vraagt hij, op het moment dat hij zijn achterwerk al met een zucht op mijn bankje heeft laten zakken.
‘Ja, natuurlijk’, is het enige dat ik kan bedenken.
Zwijgend zitten we daarna bij elkaar, allebei op ons eigen uiteinde. Hij eet zijn boterhammen, ik mijn appel. We kijken naar het water, de traag voortschuivende boten, zilvermeeuwen in glijvlucht op een langgerekte roep.
‘Mooi plekkie, hè?’, waag ik het erop.
‘Mooi plekkie’, beaamt hij.
Dan is het weer stil.
‘Komt u hier vaak?’, vraag ik.
‘Elke dag’, zegt hij.
‘Weer of geen weer?’
‘Weer of geen weer.’
‘En altijd hier even zitten?’
‘Altijd.’
Ik knik.

Ik pak de schillen van mijn appeltje bij elkaar en gooi ze in het prullenbakje dat naast de bank staat. Onze bank.
‘Fijne dag nog verder’, zeg ik terwijl ik weer op de fiets stap.
Hij steekt zijn hand op.