Leiding

Het is óns uitje. Maar het is vakantie en de grote broer en grote zus van kleindochter Sophie (2) gaan dus mee op ons wekelijkse tochtje naar de speeltuin in het park en naar bakker Bert – zoals hij onder ons al jaren heet – voor cake en limonade. Meteen als we daar met zijn vieren binnenstappen zijn de verhoudingen helder.
‘Dit is bakker Bert!’, zegt Sophie terwijl ze op de drempel even stilhoudt en met haar handen een gebaar maakt zoals een circusdirecteur bij de aankondiging van de hoofdact van die dag.

Broer en zus schuiven een beetje gniffelend achter haar aan, maar dat deert haar niet. Bedrijvig loopt ze de zaak in en sleept stoelen uit hun corona-setting om van ons vaste tafeltje er een voor vier personen te maken.
‘Cake eten!’, roept ze alvast naar de eigenaar, die tot hun schoolcarrière begon ook voor de anderen als wekelijks ankerpunt in de stad fungeerde.

Hij komt dus gezellig even bijbabbelen, terwijl ze om beurten grote brokken cake van het bordje plukken waar hij al voor het verzoek van Sophie mee aan kwam dragen. Hoe het op school gaat, in welke klas ze nu ook alweer zitten en jeetje zo groot al.
‘Bakker Bert is bakker én onze vriend’, concludeert grote broer Liam (7) als hij even naar de bar terugloopt om nog wat cake bij te snijden.

Sophie houdt het ondertussen allemaal scherp in de gaten. Zodra iedereen klaar is, laat ze zich van haar stoel glijden en loopt op kordate beentjes naar bakker Bert toe.
‘Talen?’, vraagt ze, terwijl ze naar zijn kassa wijst waar voor haar altijd een bonnetje uit komt rollen.
Nu ook, maar ze heeft duidelijk andere dingen aan haar hoofd merk ik. Broer en zus hebben ondertussen zoals ze dat gewend zijn hun vuile spullen naar de bar gebracht en hangen een beetje in de deuropening op ons te wachten. Op én ook wel een beetje óver de lijn die ik voor Sophie telkens aanwijs als begrenzing van het veilige gebied voor haar.
‘Héééé!’, roept ze dan ook bezorgd zodra ze ziet wat er gebeurt. ‘Niet weglopen jommes! Bij opa blijven!’

Daarna lopen we samen ook naar de deur. Zij zo strak tegen me aan als zelden vertoond. Kassabonnetje in haar hand. Buikje naar voren. Trots lachje naar mij.

Zij weet hoe de dingen horen hier.