Ogen (2)

‘U gaat nu wazig zien’, zegt de vriendelijke oogarts voor ze een prikkelend spulletje in mijn ogen druppelt om de pupillen te vergroten.
Dat wazig zien is de reden dat ik er zit, dus tot zover weinig nieuws behalve wat eerdere kanttekeningen bij een nauwe kamerhoek waar ik blijkbaar genetisch mee ben behept. Plus een wat verdikte lens, maar dat blijkt met de leeftijd samen te hangen. Het wordt alleen nu wat nauw in het kamertje, begrijp ik uit wat klinkt als knorrig commentaar bij een tikje teleurstellende woningbezichtiging.

De nacht voor dit doktersbezoek zag ik de uitgezaaide tumoren grijnzend hun weg naar mijn ogen zoeken om daar hun boodschap van onafwendbaar onheil voor mij af te geven. Even wat anders dan wat de oogarts meldt, nadat ik langdurig naar haar linker en vervolgens haar rechter oorlelletje heb moeten staren terwijl ze met een venijnig lampje in mijn ogen schijnt.
‘In principe ziet u prima’, zegt ze monter.
‘Behalve dat ik op geen enkele afstand meer scherp zie, zelfs niet meer met mijn leesbril?’, probeer ik.
‘Klopt’, zegt ze op vergoelijkende toon, ’het accommoderen lukt niet meer en nu doen uw ogen maar wat.’
Dat klinkt herkenbaar. Samen met de goed-nieuws-toon van de dokter, begin ik me af te vragen wat ik hier eigenlijk doe. Tot ze er toch nog éééventjes een collega bij wil roepen. Deze heeft goudkleurige ringetje door haar oorlelletjes geprikt, wat best helpt bij haar verzoek om ook daar langdurig naar te blijven kijken.
‘Ja, ik zie wat je bedoelt’, mompelt ze ondertussen naar wat ik nu al als mijn eigen dokter ben gaan beschouwen. Waarna ze allebei overschakelen op volstrekt onverstaanbare vaktaal. Zoals bij de tandarts wanneer die blijft haken in een kies en codetaal naar zijn assistent begint te roepen, meestal een veeg teken.

Hier dus ook, begrijp ik even later uit de gewone-mensen-vertaling die ik krijg, van een oogzenuw die normaal gesproken als een donut om de lens zit. Behalve als hij maar door en door blijft rijzen. Dan verdwijnen eerst de randen van je wereldbeeld en daarna willekeurige brokken. Niet even, voorgoed.
‘Komt er glaucoom in de familie voor?’
Ze vraagt het met een blijde glimlach, verheugd lijkt het wel over de wondere wereld van de menselijke biologie.
‘We gaan het eerst nog even heel goed onderzoeken’, besluit ze.
‘En anders blijft u gewoon voor altijd lid van ons.’

Ze brengt het alsof ik me nauwelijks iets leukers kan voorstellen. En even voelt het ook zo.