Nat

Het is opadag en het regent stevig door. Blauwe velden met venijnig rode stippen op de buienradar. Maar voor kleindochter Sophie (2) is ons schema helder.
‘Speeltuin!’, roept ze terwijl ik mijn druipende regenjack in de gang aan de kapstok hang.

Dus gaan we naar de speeltuin. Ik heb een regenjack en – wat doe je opa? – een regenbroek. Zij heeft gele laarsjes, die ze zelf aan kan stampen. Ze heeft ook een blauw regenjack met een capuchon. Die ze zelf op kan zetten. En ze heeft een bloemetjesjurk aan die een flink stuk onder het jack uitpiept. Daarvan sla ik het onderste deel om tot bijna onder haar okseltjes, in de hoop dat het zo een beetje beschermd onder haar jack blijft zitten. Wat ze een erg leuke oplossing vindt.

En zo lopen we samen door het park. Van de boombladeren landen dikke druppels met een pets op onze capuchons. Buiten die bescherming klinkt het geroffel van de regen als een lekgeslagen knikkerzak. Een rommelige duif wiebelt met een verregend koppie een stukje met ons mee, nieuwsgierig misschien waar we in hemelsnaam heen gaan.

Dat is geen vraag en met haar gele laarsjes stapt Sophie op kleine beentjes trefzeker naar een zandbak vol modderplassen, een glijbaan die lekker schoongespoeld maar ook erg nat is en de schommels die druipen in de regen.
‘Droogmaken?’, vraagt ze aan mij.
Dat doen we, samen, en de lap die ik ervoor heb meegenomen drapeer ik daarna op de zitting van haar schommel in de hoop dat ze daardoor iets langer droog zit.
‘Duwen, opa!’, roept ze naar me vanuit haar capuchon.

Anders kijkt ze tijdens het naar voren schommelen altijd zo ver mogelijk naar boven, naar de bladeren die bijna bij de zon zijn. Nu kan ik, terwijl ik achter haar sta om bij elke zwaai een duwtje tegen haar luierkontje te geven, haar gezicht nauwelijks zien – weggedoken in haar blauwe jack waar de regen inmiddels vanaf druipt. Ik trek mijn capuchon ook nog wat verder over me heen.

Ik weet niet hoe lang we zo staan. Lang. Met telkens een duwtje wanneer ze, met het water in stroompjes van haar schouders, op me af komt en daarna de regen weer in zeilt. Ze zegt niks en haar gezicht zie ik niet. Dus stop ik maar even met mijn werk en loop om haar heen om te kijken hoe het gaat.
‘Zullen we lekker limonade en koffie gaan doen?’, vraag ik.
‘Straks’, zegt ze terwijl ze strak voor zich uit de regen in blijft kijken. Haar beleefde manier van nee zeggen.
Ik aarzel toch even met teruglopen naar mijn post. Het is wel erg nat.
‘Hééé!’, roept ze terwijl ze met iets verminderde snelheid op me toe komt zweven. ‘Duwen!’.