Tent

Het is warm en ik heb voor kleindochter Sophie (2) op haar eigen uitdrukkelijke verzoek een speelgoed-wigwam opgezet op het balkon. Uit de zon en helemaal op zichzelf. Van de bank in de woonkamer heeft ze alle losse kussen één voor één geconfisqueerd en gezellig in haar woninkje uitgespreid. Haar blauwe knuffelkonijn met de afgelebberde oren ligt er al lekker op te slapen. Het witte tentdoek zeeft de warmte en het licht van de zon.
‘Mijn eigen huis’, besluit Sophie meteen als ze het resultaat ziet en naast konijn op de kussens gaat zitten.
‘Zal ik je hier je boterham brengen?’, vraag ik.
Even kijkt ze me ongelovig aan, weifelend zo te zien over deze abrupte sprong voorwaarts in zelfstandigheid. Dan knikt ze. Trots.

Wanneer ik even later een dubbele boterham met pindakaas én chocoladepasta op haar favoriete Paw Patrol bordje het zachte kussendomein binnenbreng, knijpt ze tevreden beide ogen even dicht.
‘Dank je, opa’, zegt ze.
‘Dan ben ik dáár met mijn boterham’, wijs ik naar de eettafel net aan de andere kant van het raam.
Ze aarzelt even, maar terwijl ik terug naar de kamer loop begint ze toch van haar brood te eten. Heel eventjes, dan staat ze alweer naast me. Fluisterend.
‘Wat zeg je?’, vraag ik.
‘Er zit een vliegje in mijn tent’, lispelt ze, iets harder nu.
‘Zal ik die wegjagen?’
Ze knikt blij en loopt voor me uit om het object van haar zorgen aan te wijzen.
‘Floetshh’, zeg ik en wapper de pretbederver terug de wijde wereld in.
‘Nu lekker eten?’ vraag ik.
Ze antwoordt niet. In plaats daarvan kijkt ze met neerhangende schoudertjes naar haar Paw Patrol bordje met daarop de nauwelijks aangegeten dubbele boterham.
‘Zullen we naar elkaar zwaaien?’, stel ik voor.
‘Ja!’, zegt ze meteen.

Dat doen we dus. Op pak hem beet drie meter afstand, maar wel met een raam ertussen. Zwaaien, kushandjes, nog een keer zwaaien. Heel even niks. Dan zie ik hoe ze met een wiebelend bordje in haar hand overeind komt uit de kussens en met haar boterham in precaire balans voor zich uit naar me toe komt lopen.
‘Toch maar hier eten?’, vraag ik.
Ze knikt, zet haar bordje op haar vaste plekje aan tafel, klimt op haar stoel en zucht.
‘Wil je me aanschuiven?’