Beren

Ik ben met kleindochter Sophie (2) op de kinderspeelkamer boven die normaal gesproken het domein van haar grote broer en zus is. Maar die zijn naar school en met een uitnodigend ‘boven pelen?’ en een handje om mijn wijsvinger heeft ze me mee de trap op gelokt. Daar heeft ze zich met gebaren van dagelijks werk in een stoeltje aan het tekenbureautje van haar grote zus geïnstalleerd. Met een groene viltstift, gepikt uit een bakje dat ze duidelijk ook al in haar hoofd had, vult ze een klein blaadje papier tot aan de randjes met krassen. Tot ze opeens stil houdt, toch niet helemaal op haar gemak lijkt het.

‘Heu?’, vraagt ze, terwijl ze een waarschuwend vingertje in de lucht steekt. ‘Is dat geluid nou?’
Ik heb geen idee wat ze bedoelt en zij zelf blijkbaar ook niet. Maar spannend is het wel, zie ik aan haar opgetrokken schoudertjes en het vingertje dat ze strak in de lucht houdt.
‘Sshht’, zegt ze. ‘Hoor ik?’

Voorzichtig staat ze op en loopt naar de deur van de speelkamer die open is blijven staan. Dan rent ze terug naar het tekenbureautje, pakt het stoeltje waar ze op zat te werken en schuift dat in de deuropening.
‘Beer!’, roept ze naar mij. ‘Grote, lange beer. Hij is eng!’
‘Oh jee’, zeg ik.
‘Gauw binnen!’, roept ze naar mij en wijst me een plek achter de deur die blijkbaar soort van veilig is.
Bij het stoeltje dat ze midden in de loop heeft gezet, maakt ze ondertussen de beweging van iemand die een sleutel omdraait.
‘Stil maar’, komt ze dan naar mij toe. ‘Slot edaan. Beer kan niet binnen.’
Zonder te bewegen blijft ze naast me staan. Een klein armpje in bescherming voor mij uitgestrekt.
‘Niet bang zijn,’ zegt ze tegen mij.

Zo staan we samen achter het stoeltje dat eigenlijk een deur met een slot is. Luisterend naar tekenen van rampspoed. Tot ze diep zucht en haar armpje laat zakken.
‘Kom maar, opa’, zegt ze. ‘Hij is weg.’