Zomer

Ik rijd met de kinderbakfiets over een landelijk weggetje dat, als een verrassing vrijwel middenin de stad, langs een vriendelijk weitje met ganzen, schapen en lammetjes op nog wankele poten slingert. De zon schijnt. Een zacht briesje uit het noorden doet er precies voldoende koele lucht bij. Het elektrische motortje van de bakfiets duwt ons zacht snorrend een houten bruggetje over.

Voor me in de bak zit kleindochter Sophie (2) die samen met mij haar grote broer en grote zus van school gaat halen. Bij het instappen heb ik van haar de korte mouwtjes van haar T-shirtje een onmogelijk klein slagje op moeten rollen. Het is zomer tenslotte.

Ze ligt een beetje onderuit op het bankje van de bakfiets. Haar hoofdje heeft ze op de rand van de bak gelegd, half naar buiten. Ze kijkt strak naar de lucht daarboven en zingt iets. Iets met ‘mee’. Telkens opnieuw.

Ik versta het niet goed en zet de bakfiets aan de kant. Ze lijkt niet te merken dat we zijn gestopt, ook niet dat ik naar haar toe loop om haar beter te kunnen horen. Tenminste, ze blijft precies zo liggen en zingt zachtjes haar kralensnoer van woordjes…

‘Wolkje, wolkje, ga je met ons mee… Wolkje, wolkje, ga je met ons mee…’

Ik loop terug naar het zadel en stap stilletjes weer op. Samen verder, met de wolkjes.