Hoger

Na een onafzienbaar aantal weken thuis zitten en staren naar het lijstje vol namen en roze hartjes dat mama op haar verzoek op de kamerdeur heeft geplakt, ziet kleindochter Elin (4) haar vrienden en vriendinnen van school dan eindelijk weer in het echt. Ik zie het aan de manier waarop ze snel afscheid neemt van haar grote broer en met opgewonden huppeltjes richting haar eigen klas gaat wanneer ik ze, net als vroeger, samen weer naar school breng.

Halverwege komt ze meteen al haar beste vriendin tegen en beide meiden cirkelen zonder woorden maar onder luid gegiechel met scheve sprongetjes om elkaar heen.
‘U moet afstand houden, want u bent boven de twaalf’, zegt het vriendinnetje tegen mij.
‘Maar wij niet!’, roept Elin, blij met deze nieuwe indeling van het leven.

Ook wanneer ik haar ’s middags weer ophaal en we met zijn allen nog even in het park gaan spelen, zie ik haar grote stap voorwaarts in gemoedsrust na een half dagje terug in het bekende.
‘Kijk eens wat ik kan!’, roept ze enthousiast vanaf haar schommel. ‘Heel veel dagen kon ik dit niet, maar nu wel’, legt ze uit terwijl ik haar telkens met een duwtje in haar rug een stukje verder vaart geef.
‘Mijn hoogtevrees is weg!’, roept ze naar me tussen het ‘hoger! hoger!’ door. ‘Op school ging ik zo hoog dat mijn hoogtevrees weg ging. En ik heb niet eens geoefend!‘
Ze klinkt zelf ook blij verbaasd met dit onverwachte succes.

Eenmaal weer met haar beentjes op de grond, steekt ze twee handen tegelijk de lucht in om haar punt nog even duidelijk te maken.
‘Nu kan ik zo hoog dat mijn haren gaan zwiepen!’

Ze doet het voor. Dat ik het maar goed begrijp.