Kwijt

Het is vakantie, dus kleindochter Sophie (2) heeft vandaag haar grote zus Elin (4) én haar grote broer Liam (6) mee naar het park. Ze leidt ze rond als een gastvrouw haar visite in een nieuw aangeschafte droomwoning.
‘Dit zijn de vogels…’
De twee groten halen goedmoedig hun schouders op.
‘En de babyhertjes…’
‘Babyhertjes zijn veel kleiner’, mompelt Liam, maar besluit er verder met zijn kleine zusje geen punt van te maken.
‘En de speeltuin!’, roept ze opgetogen als bij het herontdekken van een lang zoekgeraakte oase.

Ook tijdens het spelen kan ik het enthousiasme over het complete gezelschap in haar stem horen. Vooral wanneer ze alle drie op een schommel zitten en met grote zwaaien op elkaar af en van elkaar weg zwieren.
‘Kijk Liam!’, roept ze.
‘Kijk Elin!’, bij de volgende zwaai. ‘Hoger opa!’, ondertussen tegen mij, elke keer dat ze op het dode punt belandt.
‘Woei!’, gilt ze naar zichzelf vooral’, ‘hoog als de bomen!’, en kijkt naar de bladeren en de zon alsof ze zelf een van die vogeltjes is geworden die daar boven het voorjaar vieren.

Maar dan opeens nemen de beelden in haar hoofd een andere afslag. Ik hoor geen ‘hoger opa’ meer en zie haar schoudertjes langzaam naar beneden zakken. Bij elke, steeds tragere, zwier van de schommel, gaat haar mond iets verder richting huilen.
‘Wil je stoppen?’, vraag ik.
Ze knikt, praten lukt niet meer. Huilen wel.

Ik til haar van de schommel. Ze kijkt niet meer op of om naar haar grote broer en zus, maar loopt in een rechte lijn richting bakfiets en begint daar met haar net iets te korte beentjes in te klimmen.
‘Wat is er meissie?’, vraag ik.
Als antwoord komen er meer tranen. En dan toch een uitleg.
‘Mama kwijt!’, roept ze snikkend terwijl ze probeert een eerste beentje over de rand van de bakfiets te krijgen. ‘Papa kwijt!’

Ik roep de andere twee. Sorry jongens. We moeten naar huis.