Leren

Het informele van de schoolsluiting vanwege corona is er inmiddels wel vanaf. Dus wanneer ik op mijn opadag met zijn twee kleine zussen naar ons speelplekje in het park ga, moet kleinzoon Liam (6) samen met zijn werkende moeder thuisblijven en achter zijn tablet opdrachten maken. Alsof het een gewone schooldag is. Zijn klasgenoten kijken hem aan vanuit kleine patrijspoortjes op het scherm van Google Hangouts. De juf stuurt korte berichtjes met aanmoedigingen en antwoorden. Zijn werkschriften liggen uitgewaaierd om hem heen op de tafel wanneer we naar het park vertrekken.

Ze zijn onaangeroerd wanneer we een uurtje later terugkomen en Liam zelf doet inmiddels vooral de titel van de applicatie eer aan. Hij ligt met zijn bovenlijf half op de werktafel. Het beeldscherm met zijn klas, is een doorgeefluik voor lange zuchten.
‘Ik weet niet wat ik moet maken’, zegt hij als ik vraag of het een beetje lukken wil. ‘In de klas hebben we een groen werkboek…’
Dat zit inderdaad niet in het pakket dat vanuit school is aangeleverd, dus stel ik de vraag in het chatvenstertje van de juf. Staat in het dagschema, reageert die onmiddellijk.
‘Okeeee’, tikt Liam terug en trekt met een volgende diepe zucht een werkboek met Rekenrijk erop uit de stapel, bladert naar de pagina die inderdaad in het schema van vandaag staat, en staart dan over de bladzijde heen naar buiten.
‘Liam?’, probeer ik.
‘Lees jij het maar’, zegt hij.
Niet helemaal de bedoeling lijkt me, maar vooruit.
‘Maak een som’, lees ik en wijs op de stippellijntjes met … + … =. ‘De uitkomst is 10.’
Bij wijze van nadenken, schiet hij zijn werkbalpen over de tafel. Tot net over de rand, waar hij afkukelt en verdwijnt tussen stukken houten hamburger uit het keukentje van zijn kleine zus en wat verloren herinneringen aan het ontbijt van vanmorgen. Liam zet zijn voeten tegen de tafel zodat hij eerst bijna achterover slaat in zijn stoel, om zichzelf dan met zand in zijn benen naar achteren te schuiven en op de grond te laten zakken.
‘Mijn pen…’, mompelt hij bij wijze van uitleg.

10 + 0 = 10, schrijft hij nadat hij eerst nog wat onduidelijke vondsten van ver onder de tafel met me heeft doorgenomen en toen uiteindelijk toch maar zijn pen mee naar boven heeft gebracht. Ik lees voor wat hij uiteindelijk heeft geproduceerd. Het kan. Net als de volgende opgave met dezelfde uitkomst maar dan een min in plaats van een plus. 10 – 0 = 10. Ik kan er niet al te veel tegenin brengen, dus worstelen we ons met minimale variaties op dit thema door de rest van de pagina. ‘Deze nog even, Liam. Toe…’.

De schrijfoefeningen die daarna op het programma staan, gaan dan écht niet meer. Dus besluiten we zijn zussen bij hun moeder achter te laten en samen even de straat op te gaan.
‘Ik wil naar school’, vertelt hij daar terwijl we samen het hydraulische mechanisme – ‘Waar zijn die kabels voor?’- bestuderen waarmee de vuilniswagen bakken groenafval naar binnen kiept.
‘Wat mis je dan?’, vraag ik.
‘Mijn vrienden’, zucht hij, maar wil dan toch even precies weten hoe de chauffeur van de vuilniswagen weet dat de bakken leeg geschud zijn en dat hij verder kan rijden. En hoe je, later in de straat met weer nieuwe machines om te bekijken, metaal zo scherp kunt maken dat het dwars door een stoeptegel gaat. Ook over de spoorbomen waar we een stukje verderop voor moeten wachten, wil hij alles weten. Waarom er twee knipperlichten naast staan terwijl eentje ook voldoet. Waarom ze taps toelopen. Of ze wel lang genoeg zijn als ze naar beneden komen. Ja, dus. Hij knikt goedkeurend en leest vervolgens zonder enige hapering de waarschuwing dat we moeten wachten tot het rode licht gedoofd is omdat er nog een trein kan komen. Een beklemmende mededeling vol permanente onzekerheid, vond ik vroeger altijd, maar daar heeft Liam geen last van.
‘Goed luisteren’, raadt hij me aan.

Om meteen over te schakelen naar zijn volgende leermoment in de echte wereld. Want waarom rijden er maar de helft van de bussen en treinen, rekent hij me even de flaters van mijn medevolwassenen met hun malle maatregelen voor.
‘Als er één bus rijdt en er is iemand ziek, krijgt iedereen die er in zit corona’, legt hij geduldig uit. ‘Dus als er twee bussen rijden, krijgt maar de helft corona.’
Hij kijkt even of ik het kan volgen.
‘Ze kunnen nog beter met de taxi’, concludeert hij dan. ‘Dan heb je er maar drie.’

Ik denk aan de 10 + 0 = 10 uit zijn werkschrift en geloof dat het wel goed komt.