Bang

Op onze zoektocht naar frisse lucht zonder een overdaad aan snottebellende andere kinderen, ben ik met kleindochter Sophie (2) en haar grote zus ’s morgens vroeg in de speeltuin van het park. Op dat moment even ons domein. Een glijbaan, drie schommels en een grote ronde zandbak helemaal voor ons alleen.

Dachten we, tot een groepje ganzen met schommelende konten komt aanwiebelen om wat ze op dat tijdstip blijkbaar als hun plek beschouwen op te eisen. Ze zijn groot, ze blazen met opengesperde snavels naar alles wat op hun pad komt en – ik wilde zeggen – gakken, maar het is eerder ordinair schreeuwen. Rot op.

Dat zijn we niet van plan, dus laat ik Sophie en haar zus even alleen in de grote zandbak en loop met rondzwaaiende armen naar de ganzen om ze een andere kant op te sturen. Dat lukt, maar pas na drie pogingen, die me met mijn rivalen steeds iets verder het park indrijven.

Wanneer ik terugkom bij de zandbak, is Sophie gestopt met haar project om via een plastic beker een zandberg op de betonnen rand te storten. Ze kijkt strak naar iets in de verte.
‘Ganzen komen eraan. Opa wegjagen’, zegt ze, meer tegen zichzelf dan iemand in haar omgeving.
‘Ganzen komen eraan. Opa wegjagen. Ganzen komen eraan. Opa wegjagen.’
Telkens weer. Rustig, constaterend bijna.
‘Ganzen komen eraan. Opa wegjagen.’

Ik ga bij haar zitten en aai over haar hoofdje.
‘Ze zijn weg hoor, meid’, zeg ik.
‘Ganzen komen eraan. Opa wegjagen’, gaat ze onverstoorbaar door. Als met een wichelroede van woorden op zoek naar het laatje in haar hoofd waar die verwarrende beelden veilig op te bergen zijn.
‘Was je bang, Sophie?, vraag ik, om haar bij die zoektocht een beetje te helpen.
‘Ganzen komen eraan. Opa wegjagen’, klinkt het weer naast me, als een verhaal waarvan het eindje is zoekgeraakt.

Dan valt ze stil en kijkt voor zich uit.
‘Sophie bang’, zegt ze dan zachtjes.
En dan pas kijkt ze ook zo. Even. Dan begint het weer.
‘Ganzen komen eraan. Opa wegjagen.’