Stoer

Stoer doen was nooit eerder zo makkelijk, zie ik bij de tramhalte onder mijn raam. Moest je daarvoor in andere tijden toch minimaal een leeggedronken redbull-blikje met een achteloos gebaar de openbare ruimte in keilen, nu volstaat simpelweg in een groepje bij elkaar gaan staan. Niks afstand houden. Omhelzen, boks doen, handen geven. Dat laatste heb ik de jongens die elkaar in eeuwige dansbewegingen rond tramlijn 1 ontmoeten nooit eerder zien doen. Nu wel. Omdat iemand heeft gezegd dat het niet mag, gok ik.

Beetje dom, maar dat waren die in kreukels geknepen blikjes op de tramrails ook.

Ik heb ondertussen mijn eigen stoer. Niet dat ik nou tot de harde kern van de risicogroep behoor, maar zonder ‘wat als’ gedachtes kom ik er toch ook niet helemaal vanaf. Niet naar de intensive care, heb ik besloten. Geen slang in mijn keel gepropt waardoor ik het laatste weekje kokhalzend door moet brengen. Geen ziekenhuisbed met hulpverleners die vanachter masker, bril en beschermend schort willen weten hoe het nu is met meneer. Liever bij mijn lief en mijn kinderen. En uiteindelijk alleen. Want dat is het natuurlijk.

Zo stoer, lukt niet altijd.