Klas

Kleindochter Elin (4) is een dagje bij opa en oma en neemt de gelegenheid om me eens zorgvuldig uit te leggen hoe het leven er in een klas vol kleuters uitziet. Zo heb je, telt ze voor me op haar vingers af, kinderen die vechten én piepschuim op de grond gooien. Je hebt kinderen, vaak diezelfde, die hun werkjes niet opruimen. En je hebt kinderen, inderdaad weer diezelfde, die niet luisteren als de juf iets zegt.
‘Die kinderen moeten maar thuisblijven en daar leren’, vindt ze.

Later die dag lopen we samen door de stad, waar langs de gracht een bolle wind haar losjes op de benen zet.
‘Die kinderen zeggen ook dat onzichtbaar niet bestaat’, vertelt ze verder over haar leven buiten het eigen huis.
‘Maar Boris zegt van wel.’
Ze kijkt me even aan of dat voldoende indruk maakt.
‘En ik ook’, voegt ze er dan aan toe.

We gaan een hoek om en een plotseling duwtje in de rug bewijst haar punt.
‘De wínd!’, zegt ze met twee handjes van het grote gelijk naar mij uitgestrekt. ‘Die is er wel in deze wereld, maar je ziet hem niet.’

Samen met een fuut naast ons in het grijsgekleurde grachtenwater, laten we ons vooruit blazen door wat dan onzichtbaar mag zijn, maar zo zeker als wat bestaat.
‘Ik heb gelijk!’, roept Elin in triomf.