Taal

Zelfstandige naamwoorden had kleindochter Sophie (2) al een tijdje onder controle. ‘Vogel! Auto! Vogel-vogel-vogel… meer vogels!’

Daarna volgde haar waardering voor al die fenomenen uit de wereld om haar heen. ‘Glijbaan, leuk! Konijnen! Grappig!’

En de kracht van het gesproken woord om je gelijk te krijgen. ‘Geit? Néééé, opa! Schaap!’

Maar als we vandaag op opadag samen op stap zijn, lijkt ze opeens de taal als sociale interactie te hebben ontdekt.
‘Koffie opa?’, vraagt zij aan mij in plaats van het gebruikelijke informeren van mijn kant of ze zin heeft in limonade met cake.

De uitkomst is hetzelfde, maar het verloop zeker niet.
‘Lekker voor je’, zegt ze zodra de man van ons vaste koffiecafeetje het kopje espresso voor me neerzet. ‘Heerlijk, opa!’

Ook de mueslikoek die hij, eveneens vaste prik, voor me op tafel zet, begeleidt zij met lichte sturing.
‘Alles opeten, opa. Goed voor je!’

Ongemerkt word ik er toch wat gehoorzamer van, beloond met een: ‘Goed zo, opa. Knappe daan!’, als ik mijn bordje netjes heb leeggepeuzeld.

Kort respijt voor de volgende aansporing.

‘Kom mee. Gaan!’ roept ze en laat zich meteen met een daadkrachtig gebaar van mijn schoot glijden. Terwijl ik overeind kom, loopt zij al met telkens een klein huppeltje tussen de passen voor me uit richting kassa.
‘Even talen!’, roept ze over haar schouder.