Ruzie

De machteloosheid is bij kleinzoon Liam (6) aan zijn gezicht af te lezen, maar vooral aan zijn armen en benen die een eigen leven lijken te leiden wanneer hij de kamer binnenkomt. Hij heeft het echt geprobeerd, overleggen met het vriendinnetje van school dat bij hem is komen spelen die middag. Zonder resultaat.
‘Ze wil alleen maar achter het scherm’, legt hij me met wanhopige armen in de lucht uit. ‘Dan kan ze net zo goed naar huis gaan.’

Boven, waar ze samen spelen, of liever: waar hij spelletjes doet op een oude telefoon en zij op een tablet, heb ik hem al met smekende stem horen pleiten. Van haar kant hoorde ik geen reactie.
‘Wil je hulp?’, vraag ik.
Hij antwoordt liever niet, dan komen de tranen mee.

Samen lopen we naar boven. Onder de hoogslaper zit het vriendinnetje op een stoel over de tablet gebogen. Haar ogen strak op het scherm, ook wanneer Liam op mijn aansporen nog een keer vertelt dat hij iets samen met haar wil doen.
‘Snap je wat hij bedoelt?’, vraag ik dan maar.
Ze knikt, ogen nog steeds op het scherm.
‘Wat wil jij dan doen?’, vraagt ze aan Liam zonder van het scherm op te kijken.
‘Nou…’, zegt Liam, enigszins uit het veld geslagen door deze zakelijke wending. ‘Politieagentje.’
Nauwelijks merkbaar haalt ze haar schouders op.
‘Wil jij zo graag op de tablet?’, vraag ik naar haar kant van het verhaal.
Ze knikt. ‘Thuis mag ik maar een half uur’, zegt ze terwijl ze geconcentreerd verder speelt.
‘Snap jij dat ze het daarom zo graag wil?’, vraag ik aan Liam.
Ook hij knikt.

Ik weet ook even geen oplossing, maar zij samen plotseling wel.
‘Oké dan’, zegt het vriendinnetje terwijl ze de tablet opzij legt. ‘Vadertje en moedertje?’
Liam knikt, een beetje aarzelend.
‘En dat de moeder dan politieagent is?’, vraagt ze.
‘Oké!’, zegt Liam. Helemaal blij.