Ziener

Het is oudejaarsdag wanneer ik zwerver Jeroen bij het station tegenkom. Mager, met een versleten, vettige deken als een mantel om zijn schouders en zijn hoofd geslagen. Zijn grijze baard in knopen en vlechtjes gedraaid. In zijn hand een lange rietstengel met wijd uitlopende pluim, die hij wuivend rondzwaait zoals Jezus zijn palmtak bij zijn intocht in Jeruzalem.

We hadden nog een afspraak lopen dat hij een volgende keer wat geld van me zou krijgen. Hij weet dat en biedt aan even met me mee te lopen naar de GWK-balie in de stationshal om het briefje van twintig euro dat ik als enige contant geld bij me heb, te wisselen.
‘Met vijf euro, ben ik al heel blij’, laat hij me tijdens het lopen maar vast weten. ‘Of tien…’

Terwijl ik in de rij bij het GWK sta, wordt Jeroen door de mevrouw vanachter het loket luidkeels gesommeerd naar buiten te gaan.
‘Hij wacht op mij’, probeer ik.
Maar daar heeft ze geen boodschap aan en Jeroen, ongetwijfeld gewend aan dit soort ingrepen, is al mompelend naar de stationshal vertrokken om daar zijn centen in ontvangst te nemen.
Wanneer ik gewisseld heb, loop ik naar hem toe en geef hem een briefje van vijf.
‘Een fijne jaarwisseling’, zeg ik.

Hij knikt en vouwt het geld zorgvuldig tot een klein pakketje dat hij ergens onder zijn dekenmantel in een broekzak bergt.
‘Ik moet voorzichtig zijn’, zegt hij op een fluistertoon van iemand die een geheim nog maar net aan wil delen.
‘Altijd verstandig’, laat ik zijn mededeling maar een beetje tussen ons in liggen.
‘Ik ben De Ziener, begrijp je wel.’
Ik knik. Hij heeft het me al eerder verteld
‘Dus vuurwerk…’
Hij kijkt me aan alsof ik aan die paar woorden wel genoeg heb om te snappen waar hij mee worstelt.
‘Mijn ogen’, zegt hij dan en wijst. ‘Als daar iets mee gebeurt, zit ik zonder werk.’
‘Ah’, zeg ik.
‘Dus eh… paar oliebollen’, hij klopt op de plek waar hij mijn briefje van vijf heeft opgeborgen. ‘Dat is het dan voor mij op oudejaarsavond…’
‘Ik begrijp het’, knik ik.
‘Nou ja’, doet hij dan toch wat water in de wijn. ‘Misschien een flesje cider erbij.’
‘Tuurlijk. Waarom niet?’
‘En om twaalf uur een jointje!’
‘Dat lijkt me een goed plan’, zeg ik en schuifel zo’n beetje ons gesprekje uit terwijl hij zijn riethalm heft om zegenend het station weer in te stappen.