Regie

‘Ze slapen overdag.’
Kleinzoon Liam (6) haalt twee knuffels uit zijn rugzak, legt ze op zijn kussen en dekt ze met zijn logeerdekbed netjes toe. Hij lacht er een beetje verontschuldigend bij, als over een wereld van troostbeesten en slaapschema’s die hij ook niet heeft gemaakt. Hij is al diverse keren eerder wezen logeren, maar evengoed doorloopt hij zijn slaapplek als een overijverige regisseur die in zijn hoofd plek, verhaal en personen bij elkaar probeert te denken. Het gordijn, wil hij weten, gaat dat vannacht dicht? Hij knikt bij het antwoord, gaat dan op zijn logeerbed tussen zijn twee knuffels proefliggen en vraagt of ik voor wil doen tot hoe ver. Gewoon dicht, had ik gedacht, maar met handgebaren en enkele keren ‘ja, beetje nog’ bestelt hij een nauwkeurig afgemeten kier tussen gordijn en kozijn, waardoor hij vanaf zijn kussen naar de wolken buiten kan turen.

Dan de lampen.
‘Ik slaap met een lamp aan’, bakent hij het overlegveld meteen maar af. Voor nachtelijk gezelschap hebben we voor mij een bed strak naast dat van hem geschoven. In een gebaar van ruimhartigheid draait hij nu de slaapkamerlamp zo ver mogelijk weg van mijn bed en knipt hem ter demonstratie aan.
‘Kun jij zo nog slapen?’, vraagt hij.
Ik mompel wat over dat zien we vanavond wel, terwijl hij alweer met zijn volgende opgave druk is en peinzend voor de boekenkast staat om te zien of we iets hebben om de dag geschikt mee af te sluiten. Hij pakt een paar mogelijkheden van de kinderboekenplank en geeft die aan mij.
‘Kun je van die een paar regels lezen?’
Kikker en Pad. Nee, weet hij meteen. Pluk van de Petteflet. Nou… nee. Maar na nog geen halve regel uit Michiel de Vliegenvanger van Astrid Lindgren, knikt hij al.
‘Ja, die is goed.’

Ook ’s avonds bij het slapengaan, houdt hij de loop der dingen strak in de hand. Met waarschuwingen voor zijn losse tand, voorzichtig poetsen dus. Zijn verzoek of de slaapkamerdeur stevig dicht mag. En een vol toewijding uitgevoerd ritueel waarmee hij een nieuw verworven vaardigheid demonstreert: zijn eigen kleren opvouwen. Echt keurig, en dat zeg ik hem ook.
‘Ik ben goed in rekenen, daarom kan ik dit’, verklaart hij met een tevreden lachje.

Maar uiteindelijk, na nog één bladzijde over Michiel en zijn vliegenvangers, ligt hij dan toch onder zijn dekbed. In elke hand een knuffel, toegerust voor hun nachtelijke taak. Ik aai hem een paar keer zachtjes door zijn haren tot zijn ogen dichtvallen en kruip dan maar vast in het bed naast hem.

Om te luisteren naar zijn nacht. Vol woelen, zuchten, kreunen, een korte uitroep, ‘Ik kom eraan!’, en één keer het begin van wat klinkt als huilen. Even maar.

Tot zo rond een uur of twee in de nacht.
‘Opa…’, hoor ik in het bed naast me.
‘Ja, jongen.’
‘Hoe lang duurt het nog voor het weer licht is?’
‘Nog een paar uurtjes.’

‘Opa’, klinkt het dan even later.
‘Ja, jongen.’
‘Ik kan niet slapen.’
‘Dat snap ik. Ga maar gewoon lekker liggen, daar rust je ook van uit.’

‘Opa’, klinkt het nog weer een tijdje later.
‘Ja, jongen.’
‘Kun je me helpen in slaap vallen?’
Ik ben even stil, want zou niet weten hoe. Maar dat heeft hij zelf al bedacht. Natuurlijk.
‘Hoe dan?’, vraag ik hem.
‘Wat je eerst deed. Beetje aaien en dan gewoon wachten.’

Dat doen we.