Nee!

‘Schaap!’
Ik speur samen met kleindochter Sophie (2) naar beesten, verstopt op paginagrote tekeningen van stadstaferelen in haar nieuwe zoekboek. Ze wijst, ergens in de tuin van een huis langs de waterkant, naar een beest dat aan een polletje gras staat te knabbelen. Helaas geen schaap, maar een geit.
‘Eigenlijk…’, probeer ik voorzichtig, ‘is het een geit…’
‘Schaap!’, beslist ze in één keer elke nog op te starten discussie.
‘Eum… geit?’
Ik kijk haar door de glazen van mijn leesbril aan en zij probeert, zoals altijd, bij wijze van antwoord minstens zulke grote ogen naar mij op te zetten.
‘Schaap!’, zegt ze dan terwijl ze me strak aankijkt.
‘Nou… hij lijkt op een schaap. Dat klopt. Maar het is een geit’, doe ik nog een schuchtere poging.
‘Nee!’, reageert ze nog voor ik helemaal uitgesproken ben.
‘Ja’, zeg ik nu ook wat steviger.
‘Neee!’
‘Jaaa!’

Ze gaat er nu bij staan in haar eetstoel, zet haar beide handjes op het tafelblad en komt met haar hoofdje zo dichtbij dat onze neuzen elkaar bijna raken.
‘Neeeee!’, gilt ze, op vol volume.
Tijdens het uitschreeuwen van haar gelijk, vullen haar ogen zich met tranen. Van plezier.

Ze kijkt even of ik nu stil ben, laat zich dan met een tevreden grijns terug in haar stoel vallen en trekt het boek met de zoekbeesten naar zich toe. Volgende plaatje.