Stuk

Mijn opadag is een bankhangdag. Kleindochter Sophie (2) ligt met hoogrode koortsblosjes onder een dekentje naast me te slapen. Haar grote broer en zus sluiten daar met een schoolbaaldag bij aan. Liam (6) heeft zich een stukje verder op dezelfde bank rond de nieuwe familietablet gevouwen om zijn autoracekwaliteiten fijn te slijpen. Elin (4) leunt gezellig tegen mij aan en richt op mijn telefoon met ruimhartige swipe-gebaren duplohuizen in met bedjes, stoelen en een centraal opgestelde oven waar met een knip van haar vingers taarten en pizza’s uitrollen. Tot ze nodig echte neptaarten in haar eigen speelgoedoven wil maken en de telefoon aan mij teruggeeft.

Zonder afsluitklepje voor de simkaart, zie ik nog voor ik hem van haar aanpak. Zo’n lullig reepje plastic dat met een omhooggevallen elastiekje ergens binnenin het apparaat vastgeknoopt zit. Tot je er een beetje aan pulkt en dan heb je het zomaar in je handen. De telefoon kan zonder, maar liever niet natuurlijk.
‘Waar is dat klepje gebleven?’, vraag ik dus.

Een vraag die Elin direct beantwoordt met een snik en tranen, terwijl bij mij zomaar opeens het beeld terugspoelt van diezelfde Elin die zich over de bankleuning heen buigt en zonder woorden erbij iets met haar handen doet in de smalle spleet tussen de bank en de muur. Geen aandacht aan besteed, maar nu kijk ik daar voor de zekerheid toch maar even. Naar wat vergeten stofvlokken, een overgewaaid stuk duplo en een halve neppaprika uit het speelgoedkeukentje. En daar netjes bovenop: het telefoonklepje. Ongedeerd, niks aan de hand.

Dat zeg ik Elin ook. Dat zoiets kan gebeuren. Dat ze het altijd kan zeggen als er iets stuk gaat. Dat we het dan gaan maken. Maar dus beter niet stiekem weggooien.

Elk stukje uitleg brengt nieuwe tranen.

Ik neem haar op schoot om te troosten.
‘Was je bang dat ik boos zou zijn?’, vraag ik.
‘Jaahaa!’, snikt ze.

Zachtjes. Je weet maar nooit.