Vermoeid

‘Ziekjés. Niet ziek.’
Kleindochter Elin (4) legt me vanonder haar dekentje op de bank geduldig uit wat er aan scheelt. Sinds dit schooljaar gaat ze naar de kleuters, zoals ze het zelf noemt, en af en toe is dat nog knap vermoeiend. Dus is ze dit keer op mijn opadag thuis, wat haar betreft te vieren met veel door haar zelf bedachte toneelstukjes waarover ze met strenge blik de casting én regie voert.
‘En toen was jij de papa en ik de mama. En toen zei jij “Laten we maar gaan slapen”.’

‘Zeg dan!’
‘Laten we maar gaan slapen, vrouw’, improviseer ik.
‘Neeee… Je zei “Laten we maar gaan slapen”.’
‘Oké. Laten we maar gaan slapen!’, zeg ik nu zo kordaat mogelijk.
De apocriefe inleiding wordt me gelukkig vergeven en Elin komt bedrijvig aanlopen met de eenhoornknuffel – zachte lange haren en bijna zo groot als zijzelf – die ze onlangs van haar eigen zakgeld heeft aangeschaft.
‘Dit is ons kind’, legt ze uit.

Met twee armen vol zeult ze de bundel wit-met-roze pluche naar de bank waar ze alvast kussens en dekens heeft klaargelegd. Daar kijkt ze wat besluiteloos rond.
‘Pauze van het spel!’, kondigt ze dan aan. Om met iets meer van haar eigen stem de vraag voor te leggen waar we nu allemaal moeten slapen. De bank wordt duidelijk wat krap.
‘Wil jij op de grond?’, vraagt ze aan mij.
‘Euhm nou…’, aarzel ik. ‘Waarom moeten we eigenlijk slapen? Mama?’
‘Dat doen vaders en moeders’, zegt ze, met een vermoeide ophaal van haar schouders. ‘Bij vaders en moeders is het dag en dan weer nacht en dan weer dag en… Zo speel ik dat. Altijd maar weer. Dag, nacht, dag, nacht… Pffff…’

Ze gaat er een tikje moedeloos bij op de bank zitten met haar knuffel op haar schoot, de eenhoorn zachtjes kriebelend onder haar kin.
‘Eigenlijk…’, zegt ze dan, ‘kunnen we ook opa en oma spelen. Dan ben ik oma.’
‘Oké…’, zeg ik. ‘Maar wat doen die dan?’
Hier moet ze heel lang over nadenken, met een peinzende frons tussen haar ogen.
‘Ik weet het eigenlijk niet’, zegt ze dan. Starend naar iets in de verte dat zij alleen ziet.