WC

Vorige week staakten de juffen en meesters. Kleindochter Sophie (2) had daarom op ons vaste woensdagochtenduitje opeens gezelschap van haar grote broer en zus. Dus lette ze goed op, blijkbaar.

Ik zie het tenminste aan de zelfverzekerde stap waarmee ze deze ochtend dat we er weer samen op uit zijn bij ons koffie-en-limonade-adres naar binnen loopt. En aan het ‘Doei Bert!’ naar de eigenaar, waar ze voorheen meestal wat stilletjes bij mij op schoot schoof.

Maar ik merk het vooral wanneer we onze koffie met koek en cake met limonade op hebben.
‘Cee!’, kondigt ze luidkeels aan en laat zich meteen van mijn schoot glijden om met haar kleine beentjes op de grond te landen.

In het voorbijgaan roept ze haar reisdoel ook nog even naar Bert achter de bar. ‘Cee!’. En dribbelt dan vastberaden verder. Zo klein in zo’n grote ruimte, realiseer ik me als ik achter haar aan kom. Haar lijkt het niet te deren, want helemaal aan het eind van de zaak, tussen wat verweesde stoelen en klaarstaande kratten met af te bakken broodjes, neemt ze trefzeker de afslag naar de WC. Favoriet bij haar grote broer en zus, die er steevast heen gaan. Vanwege de lampen die vanzelf aangaan, vermoed ik.

Ook Sophie wacht precies op het juiste plekje net over de drempel op dit wonder uit de grotemensenwereld en stapt dan de blinkend uitgelichte tegelruimte binnen. Voor wat? Ze aarzelt nu zelf ook even, kijkt naar de toch wel erg grote toiletpot, keert zich dan naar mij om en neemt een besluit.
‘Handen wassen.’

Wat meer kun je doen, als beluierde kleine zus.
‘Goed plan’, zeg ik.