Vragen

Mobiele telefoons zijn oud voor ik er goed en wel aan gewend ben, dus heb ik onder het juk van geheugenslurpende software en een wat voortsukkelende batterij een verder nog prima toestel vervangen door een blinkend nieuwe waar de kleurige icoontjes van enthousiasme bijna van het scherm afspringen. Voor kleinzoon Liam een bron van vragen over het waarom van een vingerafdrukherkenning en wat er moet gebeuren als de telefoon je vinger opeens is vergeten. Maar ook een bron van vreugde, want het oude telefoontje is op opadagen nu exclusief voor hem en zijn spelletjes. Door hem eigenhandig geïnstalleerd en keurig geordend in zelf aangemaakte mapjes.

Maar ook daar horen vragen bij. Zoals waarom er niet gewoon op de hele wereld wifi is, zodat hij ook in het park, waar zijn kleine zussen ondertussen schommelen en glijden, zonder telefoonkaart een nieuw spel kan downloaden. En de belangrijkste, die komt als mijn dag erop zit en ik afscheid neem van hem en zijn zussen.
‘Mag ik je iets vragen?’, neemt hij me even apart van de rituele afscheidsknuffels.
‘Natuurlijk, jongen.’
‘Oké’, zegt hij dan op de toon van iemand die eindelijk zijn hart uit mag storten. Om dan snel ter zake te komen.
‘Kun je batterijen vervangen?’
‘Jaaa… Als in?’, vraag ik aarzelend.
‘De batterij van een telefoon.’
‘Euh… sommige wel, sommige niet dacht ik…’
‘En die van jouw oude telefoon?’
‘Ik geloof van wel… Maar die doet het toch nog wel?’
‘Opa’, zegt hij dan met een geduldige docentenblik, ‘ik heb hier een rekenmachientje…’ Hij pakt het ding in kwestie er maar even als aanschouwelijk onderwijs bij. ‘Die weet binnen een tel hoeveel tien keer tien is’, legt hij me uit. ‘En weet je hoe lang die batterij goed blijft?’, vraagt hij dan. Retorisch, blijkt, want het is ‘twéé máánden!’, meldt hij direct zelf. ‘Terwijl déze’, in zijn pleidooi de benaming van mijn oude telefoon, ‘na één middagje spelen…’ Hij laat het maar even zien op het schermpje voor als het mijn voorstellingsvermogen te boven gaat. ‘Drie procent!’
‘Jaja’, mompel ik.
‘Oké’, concludeert hij met een zonnig gezicht. ‘Zullen we het dan maar doen?’
‘Ja, euhm…’
‘Van de week bijvoorbeeld?’
Peinzend op een geschikt antwoord, rits ik mijn jas dicht en loop richting deur.
‘Opa?’, roept hij dan. ‘Knuffel?’