Knuffel

‘Béste! Fár!’
Wanneer kleinzoon Jonas (4) me bij aankomst in Oslo in het Noors verwelkomt, roept hij natuurlijk gewoon ‘opa’. Maar door een warme combinatie van zangtonen, woorddeling en enthousiasme voelt het als een eretitel. Vooral als hij in de speelzaal van zijn crèche elk ander van de daar aanwezige kinderen met strenge ogen verbiedt ook maar een woord met mij te wisselen.
‘Mín bestefar! Snakk ikke!’
Ik begrijp hem zonder Noors te verstaan.

Maar ‘s avonds bij het naar bed brengen, zit de taalbarrière ons toch wel een beetje in de weg. Voorlezen lukt nog wel, want hij verstaat Nederlands en zijn Noorse verzoeken om nog één verhaaltje begrijp ik over de grenzen heen. Daarna is het zijn gewoonte om in de warmte van kussen en dekbed met een soort druppelmonoloog de dag nog eens rustig door te nemen en langs die glijbaan de nacht in te schuiven. Maar met zo’n Nederlandse opa stranden zijn woorden onbegrepen ergens tussen zijn bed en de aangeschoven eetkamerstoel en zelfs voor een alleenspraak voldoet dat niet.

Hij zucht er van. Maar weet dan ook de oplossing.

Met een resoluut gebaar grijpt hij de zwartwitte pandaknuffel waar hij in innige verstrengeling mee in bed ligt in zijn nek en mikt die met een sierlijke boog op het voorleesbankje tegenover hem.

In plaats van de beer, pakt hij mijn arm en kronkelt zich daar behaaglijk omheen. Praten hoeft niet meer.