Zelf

Een week terug zat kleindochter Sophie (2) als een bundeltje snot en narigheid tussen de kussens van de bank glazig de wereld in te staren. Ziek. Nu loopt ze weer redderend rond in haar peuterkeukentje. En met het opknappen, heeft ze meteen een flinke pas gezet in het groot worden, treffend samengevat met het woord ‘zelf’. Veelvuldig herhaald en voorzien van een uitroepteken.

Haar taal beperkt zich nog tot losse woorden, maar dat is genoeg om haar stap naar baas over eigen leven voor mij in te vullen.
‘Klei!’, bijvoorbeeld, terwijl ze op haar eetstoel staat en met haar handjes op het tafelblad petst.
‘Klei… klei…’, mompel ik terwijl ik zoekend langs de kasten met speelgoed loop.
Niet nodig, zij weet het.
‘Ja, klei!’, bevestigt ze als ik op haar aanwijzingen een plastic tas vol kleurige potjes, houten spatels en handige deegrollertjes tevoorschijn haal.
‘Openmaken’, wijst ze mij mijn volgende taakje aan.
Zelf (!) schudt ze de klei uit hun plastic potjes, op een enkele weerbarstige na.
‘Helpen!’

Daarna is ze een tijdje druk in de weer met de spatels en de rollers.
‘Visjes’, vindt ze van de sliertjes die dat oplevert.
Die gaan in de pan, natuurlijk.
‘Roeren, roeren’, legt ze me uit.
‘Yeah!’, juicht ze zelf als dat blijkbaar naar haar zin is geworden. Direct gevolgd door ‘zo, klaar! Opruimen!’
Ik maak al aanstalten, maar dat levert me een strenge terechtwijzing op.
‘Zelf!’

Net als even later wanneer ik haar boterham voor het middageten wil smeren.
‘Mes!’
Nou vooruit, klein mesje dan.
‘Zelf.’
Ze doet het nog keurig ook. Tot ze vindt dat alle resterende pindakaas eigenlijk net zo goed meteen haar mond in kan.
‘Doe het maar op je boterham’, zeg ik.
Bij die opmerking valt ze direct en volledig stil, terwijl ze me strak aankijkt. Eerst peinzend, dan langzaam verglijdend naar boos en dan, toch nog vrij plotseling, naar verdrietig. Héél verdrietig. Haar schoudertjes schokken van de narigheid terwijl ze op vol volume huilt. Ondertussen zie ik hoe haar hand met het pindakaasmes erin langzaam onder de tafel verdwijnt. Terwijl ze mij door poelen van ellende aan blijft kijken, veegt ze met de vingers van haar andere hand vakkundig alle pindakaasrestjes van het mes en steekt die vervolgens in haar mond.

Ze haalt haar schouders erbij op. Niet langer van verdriet, maar om de gezagsverhoudingen tussen ons eens goed te benadrukken.
‘Zelf!’, zegt ze.